Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200702372/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2004 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de aanvraag van de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij U.A. (hierna: de PO) om een vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw) voor het mechanisch vissen op kokkels in het natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks" voor de periode van 2 augustus 2004 tot 3 december 2004, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/478
BR 2008/124
Milieurecht Totaal 2008/6081
Milieurecht Totaal 2008/80

Uitspraak

200702372/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij U.A., gevestigd te Kapelle,

appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2004 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de aanvraag van de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij U.A. (hierna: de PO) om een vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw) voor het mechanisch vissen op kokkels in het natuurmonument "Oosterschelde-buitendijks" voor de periode van 2 augustus 2004 tot 3 december 2004, afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2007 heeft de minister het door de PO hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de PO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2008, waar de PO, vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom, en [secretaris] van de PO, en de minister, vertegenwoordigd door H.D. Strookman, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2005 zijn verschillende artikelen uit de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2. Het gebied Oosterschelde-buitendijks is bij besluit van 23 mei 1990 (kenmerk NMF/N 90-6207), respectievelijk 20 december 1990 (kenmerk NMF/N 90-9086) aangewezen als beschermd natuurmonument respectievelijk staatsnatuurmonument. Tevens is de Oosterschelde bij besluit van 28 november 1989, no. J.897372, aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG).

In 1996 is de Oosterschelde overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) aangemeld als speciale beschermingszone. Bij beschikking van 7 december 2004 heeft de Europese Commissie de Oosterschelde geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.

2.3. De PO stelt dat de minister zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in deze zaak benodigde passende beoordeling door de PO moet worden uitgevoerd.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat de minister de aanvraag van de PO heeft afgewezen, omdat niet kan worden voldaan aan het beleid betreffende de voedselreservering voor de scholekster zoals neergelegd in het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020. Voorts stelt de Afdeling vast dat de minister in het bestreden besluit een standpunt inneemt over de plicht om een passende beoordeling op te stellen. Nu dit standpunt ten overvloede is gegeven en niet dragend is voor het bestreden besluit, kan het bezwaar van de PO tegen dit standpunt niet leiden tot vernietiging van dat besluit.

Overigens merkt de Afdeling op dat, anders dan de PO ter zitting heeft gesteld, de tekst en strekking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat voorafgaand aan een weigering van een vergunning een passende beoordeling zou moeten worden opgesteld door het tot vergunningverlening bevoegde orgaan.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. De PO stelt voorts dat de minister uitgaat van een te hoge voedselreservering voor de scholeksters, nu niet van de populatie scholeksters gedurende het winterhalfjaar moet worden uitgegaan, maar van de populatie gedurende een jaar. Voorts gaat verweerder bij voornoemde reservering ten onrechte uit van de ecologische voedselbehoefte en niet van de fysiologische voedselbehoefte van het aantal aanwezige scholeksters.

2.4.1. De minister heeft zich bij de berekening van de voedselreservering gebaseerd op het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020 en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de tweede fase van de evaluatie van het schelpdiervisserijbeleid in Nederland (EVA II). In dit beleid is, op basis van voornoemde onderzoeken, vermeld dat bij de bepaling van de voedselreservering moet worden uitgegaan van de grootte van de populatie scholeksters in het winterhalfjaar en van de ecologische voedselbehoefte van de scholekster. In hetgeen de PO heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bedoeld beleid niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, dan wel dat sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van dat beleid had moeten afwijken. Daartoe is van belang dat de minister in het bestreden besluit deugdelijke redenen heeft aangevoerd waarom bij de berekening van de voedselreservering van de populatie scholeksters in het winterhalfjaar en van de ecologische behoefte van de scholekster moet worden uitgegaan, zoals de groeimogelijkheden voor de populatie scholeksters en de omstandigheid dat de scholekster niet in staat is om het aanwezige kokkelbestand volledig te benutten.

De beroepsgrond faalt.

2.5. De PO stelt dat uit het persbericht van de ministerraad van 20 april 2007 blijkt dat de kokkelvisserij niet vergunningplichtig is omdat het gekwalificeerd zou kunnen worden als bestaand gebruik. De Afdeling stelt vast dat dit standpunt berust op een onjuiste lezing van bedoeld persbericht. Daarenboven heeft dit bericht betrekking op een voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet is, zoals weergegeven in overweging 2.1., niet op dit geding van toepassing.

Deze beroepsgrond faalt dan ook.

2.6. De beroepsgrond van de PO dat zij er gelet op de toelichting behorende bij de aanwijzingsbesluiten van 23 mei 1990 en 20 december 1990 op heeft mogen vertrouwen dat de mogelijkheid om op kokkels te vissen niet zou worden beperkt, slaagt niet. Daartoe acht de Afdeling van belang dat, mede gelet op de maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen en veranderende omstandigheden, de PO er niet op heeft kunnen vertrouwen dat zij de kokkelvisserij altijd in dezelfde mate kan blijven uitvoeren. Overigens biedt de tekst van bedoelde toelichting ook geen aanknopingspunten voor een gerechtvaardigd vertrouwen dat de PO op kokkels zou mogen blijven vissen in de Oosterschelde en dat deze mogelijkheid niet zou worden beperkt.

2.7. Ten slotte verzoekt de PO om compensatie voor schade die is ontstaan doordat zij niet op kokkels heeft kunnen vissen en stelt dat thans ten onrechte nog geen duidelijkheid bestaat over de behandeling van dit verzoek door de minister. De PO heeft de aard en de omvang van deze schade niet nader geconcretiseerd.

De Afdeling overweegt dat noch als gevolg van het afwijzen van de door de PO ingediende aanvraag, noch in het algemeen is gebleken van zodanig ernstige schade dat de minister het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze had kunnen nemen zonder zich vooraf de belangen van de PO op dit punt aan te trekken. Zij betrekt hierbij tevens de mogelijkheid voor de PO om nadat het bestreden besluit rechtskracht heeft gekregen en daadwerkelijk van schade als gevolg daarvan is gebleken, zich tot de minister te wenden met een verzoek om schadevergoeding. De Afdeling merkt overigens op dat de minister in het bestreden besluit heeft aangegeven en ter zitting heeft bevestigd dat het verzoek van de PO om schadevergoeding in een zelfstandige procedure zal worden behandeld, en dat deze procedure reeds is gestart.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. De conclusie is dat hetgeen de PO heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De minister heeft de vergunning derhalve terecht geweigerd. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

458.