Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200707583/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie) (hierna: de minister) de bij besluit van 15 juli 2003 aan [appellante] toegekende huursubsidie voor het tijdvak 1 juli 2003 - 30 juni 2004 ad € 1.340,04 herzien en op nihil vastgesteld en de over dit tijdvak uitbetaalde huursubsidie ten bedrage van € 1.340,04 teruggevorderd. Bij besluit van 9 februari 2005 is dit besluit gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200707583/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/6179 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie) (hierna: de minister) de bij besluit van 15 juli 2003 aan [appellante] toegekende huursubsidie voor het tijdvak 1 juli 2003 - 30 juni 2004 ad € 1.340,04 herzien en op nihil vastgesteld en de over dit tijdvak uitbetaalde huursubsidie ten bedrage van € 1.340,04 teruggevorderd. Bij besluit van 9 februari 2005 is dit besluit gewijzigd.

Bij besluit van 7 juli 2006 heeft de minister het door [appellante] tegen het besluit van 9 februari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2007, verzonden op 20 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2008, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. R.P.A. Pohlkamp, advocaat te Delft, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343), zijn onder meer de artikelen 26b en 36 van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) komen te vervallen. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu het subsidietijdvak waarop het in bezwaar gehandhaafde besluit van 16 september 2002 ziet, vóór 1 januari 2006 is aangevangen, zijn de oude bepalingen van toepassing.

Ingevolge artikel 26b, eerste lid, van de Hsw kennen burgemeester en wethouders, indien voor het einde van het subsidietijdvak blijkt dat het actueel inkomen ten minste 20 procent lager ligt dan het rekeninkomen, op aanvraag aan een huurder een bijzondere bijdrage toe ter tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak, als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.2. Aan het besluit van 4 oktober 2004 heeft de minister ten grondslag gelegd dat het inkomen van [appellante] en haar medebewoner te hoog was om in aanmerking te komen voor huursubsidie. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 februari 2005 heeft de minister het besluit van 4 oktober 2004 gewijzigd, voor zover daarbij werd uitgegaan van een meerpersoonshuishouden. De vaststelling van de huursubsidie op nihil heeft de minister gehandhaafd, omdat het inkomen van [appellante] zélf te hoog was.

2.3. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet bevoegd was het besluit van 9 februari 2005 te nemen, nu de informatie waar de minister dit besluit op heeft gebaseerd reeds in zijn bezit was en er geen sprake was van nieuwe gegevens, leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

[appellante] kan worden toegegeven dat de minister niet over nieuwe gegevens beschikte. De gegevens van het besluit van 9 februari 2005 weken echter wel af van de gegevens die de minister ten grondslag had gelegd aan het besluit van 4 oktober 2004. Omdat artikel 36 van de Hsw niet de eis stelt dat een herziening van de toekenning van huursubsidie dient te worden gebaseerd op nieuwe gegevens, heeft de minister terecht aangenomen dat hij op grond van voornoemde gegevens bevoegd was het besluit van 4 oktober 2004 te wijzigen. Nu bij besluit van 4 oktober 2004 de huursubsidie is vastgesteld op nihil vanwege een te hoog gezamenlijk inkomen, had [appellante] redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de gronden waarop deze vaststelling berustte onjuist waren. Voor zover [appellante] voorts heeft betoogd dat zij redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat het besluit van 15 juli 2003 onjuist was, kan zij hierin niet worden gevolgd. In dit verband is van belang dat bij het nemen van dat besluit ten onrechte is betrokken dat sprake was van een medebewoner.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er voor haar geen enkele aanleiding was om ingevolge artikel 26b, eerste lid, van de Hsw aanspraak te maken op de zogenoemde vangnetregeling, omdat de minister haar aanvankelijk huursubsidie heeft toegekend.

2.4.1. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante] terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot herziening en terugvordering van de ten onrechte verleende huursubsidie heeft kunnen overgaan. In dit verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] behoorde te weten dat de minister ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Hsw gedurende vijf jaar na afloop van het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verstrekt de toekenning van de huursubsidie kan herzien. [appellante] heeft uit de toekenning van huursubsidie, die onder meer was gebaseerd op de door haarzelf overgelegde gegevens, niet mogen afleiden dat de toekenning van huursubsidie niet meer zou kunnen worden herzien. Dat zij vervolgens geen beroep meer kon doen op de vangnetregeling is een omstandigheid die de minister, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor haar rekening en risico heeft kunnen laten.

2.5. Anders dan [appellante] betoogt, geeft de omstandigheid dat de minister het huursubsidiebesluit meerdere malen heeft gewijzigd geen grond voor het oordeel dat hij hiermee in strijd heeft gehandeld met de vereiste zorgvuldigheid en vertrouwen heeft gewekt dat in rechte dient te worden gehonoreerd. De in de Hsw voorziene mogelijkheid van herziening van de subsidieverstrekking alsmede de bezwaarprocedure bieden de minister de mogelijkheid om eventuele onzorgvuldigheden in de besluitvorming te herstellen. Het enkele feit dat de minister van deze mogelijkheden gebruik heeft gemaakt, kan niet onrechtmatig worden geoordeeld.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

97-538.