Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200708912/1 en 200708912/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [wederpartij] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200708912/1 en 200708912/2.

Datum uitspraak: 24 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07-2180 van de rechtbank Haarlem van 5 november 2007 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [wederpartij] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2007, verzonden op 6 november 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2008.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2008, heeft de minister de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 10 april 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.J. Suijkerbuijk, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [wederpartij] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van de functie van leerling groepleidster bij een kinderdagverblijf.

2.3. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg), is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van deze wet, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

2.3.1. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Circulaire Beleidsregels 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de beleidsregels), vastgesteld bij besluit van de minister van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63). Volgens de beleidsregels kan de afgifte van de VOG worden geweigerd, indien de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing voorkomt in de justitiële documentatie en de aangetroffen antecedenten, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of opdracht waarvoor de verklaring wordt gevraagd. Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering (kunnen) vormen voor de afgifte van de VOG is in bijlage A bij de beleidsregels onder meer een algemeen screeningsprofiel neergelegd aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald, welk profiel is onderverdeeld in risico's voor acht onderdelen.

Onderdeel 8 - personen - van dit algemeen screeningsprofiel luidt, voor zover thans van belang: "Bij het gebied 'personen' komt men (tijdelijk) vanuit een functie met personen of kwetsbare groeperingen in de samenleving in aanraking. De aspecten ‘het belast zijn met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen in het algemeen’, en specifiek ’het belast zijn met de zorg voor minderjarigen en/of de zorg voor personen die in een afhankelijkheidssituatie verkeren’, en ‘het hebben van een één op één relatie (verschil in macht) waarbij er sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid’ vallen onder dit gebied. Ook het voorhanden hebben van stoffen, objecten en voorwerpen en dergelijke, die, bij oneigenlijk of onjuist gebruik een risico vormen voor het welzijn van mens, vallen eronder. (…) Doel van dit gebied is om de (meest)kwetsbaren in de samenleving te beschermen."

Daarnaast vermelden de beleidsregels als subjectieve criteria die worden meegewogen: "de leeftijd van de aanvrager en diens burgerlijke staat, de leeftijd van de aanvrager ten tijde van het plegen van het strafbare feit, de zwaarte van het delict (misdrijf of overtreding) en de wijze waarop de strafzaak is afgedaan (bijv. veroordeling, voorwaardelijke straf, boete, ontslag van alle rechtsvervolging en soort sepot), maar ook de vraag in hoeverre recidive waarschijnlijk is. Niet alleen de hoeveelheid antecedenten en de periode tussen de verschillende antecedenten spelen een rol, maar ook het tijdsverloop van het antecedent is relevant."

2.4. De minister heeft aan de, in bezwaar gehandhaafde, weigering van de VOG ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie is vermeld dat [wederpartij] op 10 juli 2006 door de rechtbank Haarlem is veroordeeld voor het medeplegen van handel in harddrugs tot een gevangenisstraf van 221 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf van 240 uren. Onder verwijzing naar de beleidsregels heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat dit strafbare feit, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Hierbij heeft de minister overwogen dat de aard van het gepleegde delict in combinatie met de recentheid en de zwaarte van de afdoening en de nog lopende proeftijd tot de conclusie leidt dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang dat [wederpartij] heeft bij afgifte van de VOG.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat onverkorte toepassing van de beleidsregels, die zij redelijk heeft geacht, ertoe leidt dat de VOG moet worden geweigerd. Naar haar oordeel heeft de minister echter, gelet op de jonge leeftijd van [wederpartij] en haar inspanningen om haar leven weer op de rails te krijgen, hetgeen onder meer blijkt uit de succesvolle afronding van haar opleiding tot sociaal pedagogisch werkster en het vinden van een baan in die hoedanigheid bij een kinderdagverblijf, ten onrechte geen bijzondere omstandigheid aangenomen op grond waarvan afwijking van het door hem gevoerde beleid gerechtvaardigd zou zijn.

2.6. De minister bestrijdt dit oordeel met succes. Anders dan de rechtbank is de voorzitter van oordeel dat de minister het enkele feit dat [wederpartij] sinds haar veroordeling met succes haar opleiding heeft afgerond en een baan heeft gevonden van onvoldoende gewicht heeft mogen achten om anders dan tot weigering van de VOG te besluiten. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het geringe tijdsverloop sinds de veroordeling en het feit dat [wederpartij] zich nog in de proeftijd bevond er aan in de weg staat dat aan de aard en ernst van het strafbare feit in verhouding tot de functie waarvoor de VOG is gevraagd, voorbij wordt gegaan.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep tegen het besluit van 28 februari 2007 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. De minister heeft ter zitting medegedeeld dat [wederpartij] inmiddels een VOG heeft gekregen voor haar huidige functie. Ten overvloede wijst de voorzitter erop dat deze uitspraak geen gevolgen heeft voor die VOG.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2007 in zaak nr. 07-2180;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Haverkamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008

306-512.