Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200705884/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) [belanghebbenden] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Buitengebied Ruinen" voor de realisatie van een minicamping aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de minicamping).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705884/1.

Datum uitspraak: 29 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 06/1120, 06/1396 en 06/1469 van de rechtbank Assen van 4 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) [belanghebbenden] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Buitengebied Ruinen" voor de realisatie van een minicamping aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de minicamping).

Bij besluit van 4 augustus 2006 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] en anderen om het toepassen van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen tegen de minicamping afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het college [belanghebbende] ten behoeve van de minicamping een ontheffing krachtens de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) verleend voor het houden van een kleinschalig kampeerterrein.

Bij besluit van 6 november 2006 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2007, verzonden op 5 juli 2007, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 2] en anderen tegen de besluiten van 4 augustus 2006 en 6 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het tegen het besluit van 24 oktober 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 oktober 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2007, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, wederom het door [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 15 mei 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant sub 2] en anderen en [belanghebbenden] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2008, waar het college, vertegenwoordigd door R.D.V. Molenaar en W.A. ter Wal, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. W.B. van den Berg, advocaat te Meppel, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [belanghebbenden], in persoon en bijgestaan door mr. A.R. van Tilborg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Het besluit van 4 augustus 2006 (vrijstelling bestemmingsplan)

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding voor zover dit het besluit van 4 augustus 2006 betreft.

2.2. Het college heeft het bezwaar van [appellant sub 2] bij besluit van 4 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

2.2.1. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het niet tijdig maken van bezwaar tegen het besluit van 5 april 2005 in dit geval verschoonbaar is. In dit verband betogen zij dat ten onrechte in de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (oud; hierna: Awb) is vermeld dat "bedenkingen" in plaats van "zienswijzen" naar voren konden worden gebracht en dat is verzuimd te vermelden dat zienswijzen ook mondeling naar voren konden worden gebracht. Voorts voeren zij aan dat één van hen, [naam], wél mondeling zienswijzen naar voren heeft gebracht zodat aan hem ten onrechte geen mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerst lid, van de Awb is gedaan. Ten slotte voeren zij aan dat het besluit van 5 april 2005 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt.

2.2.2. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb, voor zover thans van belang, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb (oud) wordt voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennisgegeven van de aanvraag of van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ingevolge het derde lid wordt in de kennisgeving vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen, wie in de gelegenheid worden gesteld van hun zienswijze te doen blijken en op welke wijze dit ingevolge artikel 3:13 kan geschieden.

Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van de Awb (oud) kunnen belanghebbenden hun zienswijze over de aanvraag of het ontwerp naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

2.2.3. Het college heeft bij de voorbereiding van het besluit van 5 april 2005 de openbare voorbereidingsprocedure voorzien in afdeling 3.4 van de Awb (oud) toegepast. Op 2 maart 2005 is in de Hoogeveensche Courant een publicatie geplaatst met een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb (oud).

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant sub 2] en anderen niet in hun belangen zijn geschaad doordat de vermelding van de mogelijkheid mondeling zienswijzen naar voren te brengen ontbrak. Evenmin bestaat grond voor dat oordeel door vermelding in die kennisgeving dat "bedenkingen" in plaats van "zienswijzen" naar voren kunnen worden gebracht. Gebleken is dat [appellant sub 2] en anderen door vorenbedoelde kennisgeving bekend waren met het voornemen van het college een vrijstelling van het bestemmingsplan voor een minicamping te verlenen en met de mogelijkheid daarop te reageren. Zij hadden, indien niet duidelijk zou zijn op welke wijze zij aan die reactie vorm konden geven, contact kunnen opnemen met de gemeente om hiernaar te informeren.

Vaststaat dat niet schriftelijk zienswijzen naar voren zijn gebracht. Naar aanleiding van de stelling dat [naam] in een met een ambtenaar van de gemeente Hoogeveen gevoerd gesprek zijn zienswijze mondeling naar voren heeft gebracht, is de Afdeling op grond van hetgeen daarover is verklaard met de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat [naam] heeft geïnformeerd naar de gang van zaken rond de minicamping en bezwaar heeft gemaakt tegen een ontwikkeling naar een volwaardige camping ter plaatse, maar dat niet aannemelijk is dat [naam] de wens te kennen heeft gegeven een zienswijze naar voren te brengen tegen het voornemen tot verlening van een vrijstelling voor de minicamping.

Aangezien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht door [appellant sub 2] en anderen behoefde het college na de bekendmaking van het besluit van 5 april 2005 geen mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, Awb te doen.

2.2.4. Het college heeft het besluit van 5 april 2005 aan de aanvrager ervan uitgereikt. Dit besluit is daarmee overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. Dat de exacte datum van bekendmaking niet bekend is doet aan het vorenstaande niet af, nu uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat op enig moment in april 2005 voormeld besluit is uitgereikt aan de aanvrager.

Gezien het vorenstaande ving de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, uiterlijk aan op 1 mei 2005 en eindigde, ingevolge artikel 6:7, eerste lid, van de Awb, in onderlinge samenhang bezien met artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet uiterlijk op 13 juni 2005. Nu het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 5 april 2005 pas op 5 april 2006 bij het college is ingekomen, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift overschreden.

Ten aanzien van de vraag of redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat [appellant sub 2] en anderen niet in verzuim zijn geweest, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juni 2006 in zaak nr. 200600051/1) dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning waarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden, niet schriftelijk op de hoogte is gesteld, binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt of had kunnen raken, zijn bezwaren kenbaar te maken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant sub 2] en anderen op de hoogte waren van het voornemen van het college voor de minicamping een vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Het had gelet hierop op hun weg gelegen te informeren naar de besluitvorming daaromtrent. Nu zij meer dan een jaar na het bekend worden van dat voornemen hebben gewacht met het inwinnen van informatie over de definitieve besluitvorming hebben [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat zij hun bezwaar zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hen kon worden verwacht, hebben ingediend. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar kan worden geacht.

2.2.5. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2006 terecht ongegrond verklaard.

Het besluit van 6 november 2006 (ontheffing Wor)

2.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor (oud) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders van het verbod, bedoeld in het eerste lid, vrijstelling of ontheffing verlenen voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, voor ten hoogste de periode van 15 maart tot en met 31 oktober in elk kalenderjaar, het aantal toe te laten kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.

Ingevolge artikel 10, tweede lid van de Wor (oud) kan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, slechts worden verleend:

a. indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

Ingevolge artikel 11, eerste lid van de Wor (oud) verbinden burgemeester en wethouders aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Burgemeester en wethouders kunnen deze voorschriften wijzigen of intrekken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.

2.4. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 12 mei 2006 verleende, in bezwaar gehandhaafde ontheffing (hierna: de ontheffing), niet verleend had kunnen worden omdat de ter plaatse geldende bestemmingsplannen zich tegen vestiging van een kampeerterrein verzetten.

Voor zover de gronden van het hoger beroep betrekking hebben op strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Ruinen" heeft de rechtbank terecht geoordeeld, mede gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.2.4 is overwogen, dat de bij besluit van 5 april 2005 verleende vrijstelling van dit bestemmingsplan onherroepelijk is en dat het verlenen van de ontheffing derhalve niet leidt tot een met dat bestemmingsplan strijdige situatie.

Naar aanleiding van de stelling van [appellant sub 2] en anderen dat de vestiging van de minicamping ook in strijd is met het bestemmingsplan "Partiele herziening buitengebied" overweegt de Afdeling dat dit door hen op geen enkele wijze is onderbouwd en dat uit hetgeen door partijen over en weer naar voren is gebracht van zodanige strijdigheid niet blijkt.

2.5. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de ontheffing niet verleend had kunnen worden omdat de minicamping in de stankcirkel van de veehouderij van [appellant sub 2] is gelegen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2005 in zaak nr. 200500526/1) is ingevolge de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen niet aangemerkt als een stankgevoelig object. Met kleinschalig kamperen wordt blijkens paragraaf 2.2, onder 5, van de Richtlijn bedoeld kamperen zoals gedefinieerd in artikel 8 van de Wor. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat [appellant sub 2] als gevolg van de ontheffing waarmee kleinschalig kamperen op het perceel van [belanghebbenden] wordt toegestaan, niet behoefde te vrezen voor een beperking van zijn bedrijf.

2.6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ontheffing niet behoefde te worden geweigerd vanwege besmettingsgevaar. In dit verband betogen zij dat het risico bestaat dat het vee van [appellant sub 2] als gevolg van door campinggasten meegebrachte honden wordt besmet met de parasiet Neospora Caninum.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit risico ook zou bestaan indien nabij een veehouderij geen camping is gevestigd omdat zich ook dan honden in de omgeving van de veehouderij van [appellant sub 2] kunnen bevinden. De aanwezigheid van honden bij mensen is een normaal maatschappelijk verschijnsel en het ligt op de weg van [appellant sub 2] maatregelen te nemen tegen de daaruit voortvloeiende risico's. Niet aannemelijk is geworden dat de verhoging van het risico van besmetting met Neospora Caninum van dien aard is dat het college niet in redelijkheid het stellen van voorschriften ter beperking van besmettingsgevaar achterwege heeft kunnen laten dan wel de ontheffing ten onrechte heeft verleend.

2.7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat aan de ontheffing ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden ter bescherming van de flora en fauna.

[belanghebbenden] heeft een rapport van "EcoGroen Advies BV" van 17 juli 2006 (hierna: het rapport) overgelegd. Het rapport is een verslag van een door voormeld adviesbureau uitgevoerde natuurtoets ten behoeve van de ruimtelijke procedure voor realisatie van de minicamping. In het rapport wordt onder meer geconcludeerd dat in de nabijheid van de minicamping geen beschermde plantensoorten van de "rode lijst" voorkomen. Voorts zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetoond of te verwachten. Wel zijn verspreid in het gebied vaste verblijfplaatsen van enkele veel voorkomende, laagbeschermde diersoorten aangetoond of te verwachten. Ten slotte is het gebied in de nabijheid van de minicamping niet bijzonder geschikt voor broedvogels van bos en struweel en niet geschikt als broedgebied voor weidevogels. Ook zijn geen beschermde amfibieën, reptielen, vissen of ongewervelden aangetoond of te verwachten, aldus het rapport. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen grond om aan de juistheid van de conclusies van het rapport te twijfelen.

De Afdeling is, gezien de conclusies van het rapport en gelet op de aard van de flora en fauna in de nabijheid van de minicamping, van oordeel dat het college in redelijkheid het stellen van voorschriften ter beperking van schade hieraan achterwege heeft kunnen laten.

2.8. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de ontheffing is verleend in strijd met de beleidsnota van het college "vervanging Kampeerwet door de Wet op de openluchtrecreatie per 1 november 1995" van 29 augustus 1995, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Hoogeveen op 28 september 1995 (hierna: de nota).

Niet in geschil is dat niet wordt voldaan aan het in de nota gestelde vereiste dat slechts op bouwpercelen een camping mag worden gevestigd nu het bestemmingsplan "Buitengebied Ruinen", ten tijde hier van belang, geen bebouwing toestond. Ter plaatse van de woning van [belanghebbenden] geldt het bestemmingsplan "Partiele herziening buitengebied".

Bij toepassing van een beleidsregel dient ook te worden onderzocht of toepassing van de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen zal hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uit de nota volgt dat met de beleidsregel is beoogd te voorkomen dat ontheffingen worden verleend voor een camping op een perceel zonder dat een relatie bestaat met bestaande bebouwing. Dit kan het landschap en de landbouwkundige functie van een gebied op een onaanvaardbare wijze aantasten, aldus de nota.

Het perceel met de woning van [belanghebbenden] is gelegen naast de minicamping. Derhalve wordt weliswaar niet voldaan aan de in de nota gekozen maatstaf doch wel aan de met het beleid beoogde relatie tussen camping en bestaande bebouwing. Nu gelet hierop met de verlening van de ontheffing wordt gehandeld conform de doelstelling van de beleidsregel en met de weigering ervan, [belanghebbenden] onevenredig zou worden benadeeld, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid tot afwijking van het beleid kunnen besluiten.

2.9. Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de ontheffing niet verleend had kunnen worden gezien de plannen van [belanghebbenden] om te komen tot een veel grotere camping, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college deze plannen, wat daar verder ook van zij, terecht niet bij de ontheffingverlening heeft betrokken aangezien hij diende te beslissen op de aanvraag zoals deze was ingediend.

2.10. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 november 2006 op goede gronden ongegrond verklaard.

2.11. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

Het besluit van 24 oktober 2006 (afwijzing verzoek om handhaving)

2.12. Het college kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin is geoordeeld dat de aan de krachtens de Wor op 12 mei 2006 verleende ontheffing verbonden voorschriften werden overtreden, omdat aan de noordzijde van het perceel waarop de minicamping is gelegen, geen afschermende groenstrook is aangebracht. Het college betoogt dat de ontheffing op die plaats geen afscherming voorschrijft en dat hij derhalve niet bevoegd was om bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen toe te passen.

2.12.1. Het aan de ontheffing verbonden voorschrift 2, eerste volzin, luidt: "Het kampeerterrein moet worden voorzien van een afschermende groenstrook volgens bijgaande eisen die ook op 19 juli 2005 zijn toegezonden."

In de op 19 juli 2005 aan [belanghebbenden] toegezonden brief staat onder meer dat de hagen langs de rand minimaal twee meter hoog en één meter breed moeten zijn (dubbele rij heesters).

2.12.2. Bij de aanvraag om ontheffing is door [belanghebbenden] een tekening van [tuinarchitect] overgelegd. Deze is door het college beoordeeld en goed bevonden met een aantal kanttekeningen. Dit is door het college bevestigd in vorenbedoelde brief van 19 juli 2005. Op deze tekening is geen afschermende haag ingetekend aan de noordzijde van de minicamping, hetgeen te verklaren is doordat ten noorden van de minicamping de dichtst bij gelegen woonbebouwing zich op een afstand van ongeveer 400 meter bevindt. Gezien de aanvraag om ontheffing in onderlinge samenhang bezien met het aan de ontheffing verbonden voorschrift 2 en de brief van 19 juli 2005 is de Afdeling anders dan de rechtbank van oordeel dat geen afschermende groenstrook aan de noordzijde van de minicamping is voorgeschreven. Het college was in zoverre niet bevoegd tot het toepassen van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen en heeft de afwijzing van het verzoek daartoe bij besluit op bezwaar terecht gehandhaafd.

2.13. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, hoewel de beplanting die op grond van de ontheffing moest worden aangebracht ten tijde van het besluit op bezwaar van 24 oktober 2006 nog geen twee meter hoog was, concreet uitzicht op legalisatie bestond, daar de beplanting net was aangebracht en nog moest groeien.

Vaststaat dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 24 oktober 2006 niet werd voldaan aan het aan de ontheffing verbonden voorschrift 2.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat concreet uitzicht op legalisatie bestond nu de juiste beplanting reeds aanwezig was en het vooruitzicht bestond dat deze binnen redelijke tijd tot de vereiste hoogte en breedte zou uitgroeien. Daarom heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien.

2.14. Het college betoogt dat ook wat betreft het in strijd met het bestemmingsplan gerealiseerde sanitairgebouw concreet uitzicht op legalisatie bestond, omdat de procedure voor een vrijstelling van het bestemmingsplan ten tijde van het besluit op bezwaar van 24 oktober 2006 reeds was gestart.

Niet in geschil is dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ruinen" ten tijde van het besluit op bezwaar 24 oktober 2006 geen sanitairgebouw toestond.

De rechtbank heeft terecht geen concreet uitzicht op legalisatie van het sanitairgebouw aanwezig geacht. Weliswaar had het college een procedure krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestart maar deze was ten tijde van het besluit op bezwaar stilgelegd omdat het college tot de conclusie was gekomen dat artikel 19, eerste lid, van die wet diende te worden toegepast. Eerst op 24 november 2006 - derhalve na het nemen van het besluit op bezwaar - is bij het college van gedeputeerde staten van Drenthe een verklaring van geen bezwaar aangevraagd. Onder deze omstandigheden heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat handhavend optreden zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoorde te worden afgezien.

2.15. Het hoger beroep van het college is gegrond.

2.16. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze strekt tot vernietiging van het besluit van 24 oktober 2006 voor zover daarbij is vastgehouden aan de weigering handhavend op te treden tegen de minicamping wegens overtredingen van de aan de ontheffing verbonden voorschriften.

Het besluit op bezwaar van 15 augustus 2007

2.17. Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant sub 2] en anderen gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellant sub 2] en anderen is tegemoetgekomen, wordt hun hoger beroep, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.17.1. Het college heeft in het besluit van 15 augustus 2007 overwogen dat het wat betreft het in strijd met het bestemmingsplan gerealiseerde sanitairgebouw ten tijde van dit besluit niet bevoegd was bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen toe te passen omdat op 24 januari 2007 een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening door het college van gedeputeerde staten van Drenthe is afgegeven en op 15 maart 2007 vrijstelling van het ter plaatse van het sanitairgebouw geldende bestemmingsplan is verleend door het college. Voort is op die datum daarvoor een bouwvergunning verleend.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet langer bevoegd was handhavend op te treden. In zoverre bestaat geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

2.18. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.16 is overwogen, is de grondslag komen te ontvallen aan het besluit van 15 augustus 2007 voor zover daarbij het college andermaal heeft beslist op de bezwaren van [appellant sub 2] en anderen tegen de daarbij gehandhaafde weigering handhavend op te treden tegen de minicamping wegens overtredingen van de aan de ontheffing verbonden voorschriften. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal het besluit in zoverre vernietigen.

Proceskostenveroordeling

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 juli 2007 in de zaken nrs. 06/1120, 06/1396 en 06/1469, voor zover deze strekt tot vernietiging van het besluit van 24 oktober 2006 voor zover daarbij is gehandhaafd, de weigering handhavend op te treden tegen de minicamping wegens overtredingen van de aan de bij besluit van 12 mei 2006 krachtens de Wet op de openluchtrecreatie verleende ontheffing verbonden voorschriften;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 15 augustus 2007 gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van 15 augustus 2007, kenmerk U.07.19398/MMT, voor zover het college daarbij heeft beslist op de bezwaren van [appellant sub 2] en anderen tegen de bij dat besluit gehandhaafde weigering handhavend op te treden tegen de minicamping wegens overtredingen van de aan de bij besluit van 12 mei 2006 krachtens de Wet op de openluchtrecreatie verleende ontheffing verbonden voorschriften.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

Voorzitter Ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008

312.