Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
200800791/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Delft (hierna: de raad) bij besluit van 19 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "TU-Noord (De noordelijke Wippolder)".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200800791/2.

Datum uitspraak: 22 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Delft (hierna: de raad) bij besluit van 19 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "TU-Noord (De noordelijke Wippolder)".

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 april 2008, waar [verzoeker], in persoon, alsmede het college, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de raad, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te Den Haag, mr. M.M. de Vaal, ambtenaar in dienst van de gemeente, en drs. M. van der Meulen, werkzaam bij adviesbureau RBOI, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat een procedurefout is gemaakt, nu het plan niet vanaf 29 januari 2008, maar vanaf 15 januari 2008 ter inzage is gelegd.

Deze mogelijke onregelmatigheid dateert van na het nemen van het bestreden besluit en kan om die reden de rechtmatigheid van dit besluit niet aantasten.

2.3. [verzoeker] voert aan dat niet is onderkend dat wat betreft het Mijnbouwplein sprake is van een reconstructie van een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet geluidhinder wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidbelasting vanwege de weg met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd.

Uit tabel 10 van het akoestisch rapport van DGRM van 23 augustus 2006 volgt dat de geluidbelasting vanwege het Mijnbouwplein gelijkblijft of afneemt. Reeds hierom is geen sprake van een reconstructie van een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder.

2.4. [verzoeker] voert aan dat het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het Mijnbouwplein. Naar zijn mening is het effect van de aanleg van tramlijn 19 ten onrechte meegenomen bij de beoordeling of de voor stikstofdioxide geldende grenswaarde in 2010 in acht wordt genomen.

2.4.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005, voor zover thans van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxiden in acht.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden in ieder geval begrepen de vaststelling en goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen, indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, geldt voor stikstofdioxide voor de bescherming van de gezondheid van de mens de grenswaarde 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

2.4.2. Het college heeft zich bij zijn beoordeling van het aspect luchtkwaliteit primair gebaseerd op het rapport van adviesbureau RBOI van 31 augustus 2006. Blijkens de tabellen 4.2 en 4.3 van dit rapport is voor de luchtkwaliteit op en nabij het Mijnbouwplein uitsluitend de grenswaarde voor de stikstofdioxide als jaargemiddelde concentratie van belang. Volgens het rapport bedraagt op het wegvak Mijnbouwplein/Sebastiaansbrug de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide 41 microgram per m3 in 2010 en 36 microgram per m3 in 2015 indien het plan niet wordt verwezenlijkt. Deze waarden bedragen 39 microgram per m3 in 2010 en 34 microgram per m3 in 2015 indien het plan wel wordt verwezenlijkt. Op het wegvak Mijnbouwstraat bedraagt de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide 36 microgram per m3 in 2010 en 32 microgram per m3 in 2015 indien het plan niet wordt verwezenlijkt. Deze waarden bedragen 40 microgram per m3 in 2010 en 35 microgram per m3 in 2015 indien het plan wel wordt verwezenlijkt. Uit het rapport van adviesbureau RBOI volgt derhalve dat op het wegvak Mijnbouwplein/ Sebastiaansbrug de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide als gevolg van het plan zal verbeteren en dat op het wegvak Mijnbouwstraat deze concentratie als gevolg van het plan niet zodanig zal toenemen dat de grenswaarde voor stikstofdioxide als jaargemiddelde concentratie niet in acht wordt genomen.

[verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van adviesbureau RBOI is gebaseerd op onjuiste gegevens of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de stukken in samenhang met het plan maatregelen zullen worden getroffen die zijn gericht op het afremmen van de groei van het autoverkeer. Verder wordt in aanmerking genomen dat ter zitting van de zijde van de raad onweersproken is gesteld dat, indien wordt uitgegaan van de aanname dat tramlijn 19 in 2010 niet wordt aangelegd, de uitkomsten van het rapport van adviesbureau RBOI niet zodanig zullen wijzen dat niet meer aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 wordt voldaan.

Gezien het voorgaande heeft het college zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter terecht op het standpunt gesteld dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet aan het plan in de weg staat voor zover het gaat om de wegvakken Mijnbouwplein/Sebastiaansbrug en Mijnbouwstraat. Dat zoals [verzoeker] heeft aangevoerd zijn dochter lijdt aan taaislijmziekte en dientengevolge bijzonder gevoelig voor de luchtkwaliteit is, is daarbij - hoe begrijpelijk de zorgen van [verzoeker] in dit verband zijn - niet van belang.

2.5. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008