Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0564

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
200702083/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de gemeenteraad van Almelo het bestemmingsplan Noord - Haghoek/Rosarium vastgesteld..

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 26
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/257

Uitspraak

200702083/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de gemeenteraad van Almelo het bestemmingsplan ""Noord - Haghoek/Rosarium"" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 februari 2007, kenmerk 2007/0112068, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 20 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2007, en [appellant sub 2] bij brief van 17 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 19 april 2007. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 mei 2007.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder en van het college van burgemeester en wethouders van Almelo. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2007, waar [appellanten sub 1], van wie [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C] in persoon, bijgestaan door [appellant sub 2], werkzaam bij [Milieuadviesbureau] te [plaats], [appellant sub 2] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Almelo, vertegenwoordigd door ing. A. Bosveld, ambtenaar van de gemeente.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft verweerder op 8 november 2007 nadere stukken ingediend.

Bij faxbericht van 19 november 2007 heeft [appellant sub 2], mede namens de [appellanten sub 1], hierop gereageerd.

Deze stukken zijn steeds aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Op 21 november 2007 heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op een bestaande woonwijk en is opgesteld in het kader van de actualisering van bestemmingsplannen in de gemeente Almelo. Het plan vormt de actualisering van het sterk verouderde bestemmingsplan ""Haghoek/Rosarium"".

2.3. [appellant sub 2] stelt dat bij de kennisgeving van het ontwerpplan en de terinzagelegging van het vastgestelde plan niet aan de wettelijke eisen is voldaan. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat de inhoud van het ontwerpplan in de kennisgeving niet correct is weergegeven en dat diverse stukken bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan ontbraken, zoals het Waterplan, de jaarlijkse luchtrapportages en het originele en ondertekende rapport van adviesbureau De Haan van 19 mei 2006. Tevens heeft [appellant sub 2] naar voren gebracht dat hij een kopie van het vastgestelde bestemmingsplan noch een kleurenkopie van de plankaart heeft kunnen verkrijgen.

2.3.1. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat de inhoud van het ontwerpplan in de kennisgeving niet correct is weergegeven, stelt de Afdeling vast dat in de kennisgeving is vermeld dat het een overwegend conserverend plan is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Dit beroepsonderdeel slaagt daarom niet.

2.3.2. Ten aanzien van hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd met betrekking tot het verstrekken van stukken overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 3:11, derde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, verstrekt het bestuursorgaan afschriften van de ter inzage gelegde stukken. Blijkens de stukken heeft [appellant sub 2] aan het einde van de middag van de laatste dag dat de stukken ter inzage lagen, verzocht om kopieën van het plan en de plankaart. Op pagina 9 van het bestreden besluit staat vermeld dat de kopieën waar [appellant sub 2] om heeft verzocht, om praktische redenen door het gemeentebestuur op een cd-rom zijn gezet en aan hem zijn toegezonden. [appellant sub 2] heeft deze gang van zaken niet weersproken. De Afdeling ziet in deze feiten en omstandigheden dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat het gemeentebestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichting om desgevraagd een afschrift te verstrekken van de ter inzage gelegde stukken.

2.3.3. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, aangevuld met enkele voorschriften in artikel 23 van de WRO. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover hier van belang, geschiedt de mededeling van een besluit met overeenkomstige toepassing van artikel 3:11, indien bij de voorbereiding van dat besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4. Hieruit volgt dat artikel 3:11 van de Awb tevens van toepassing is op de terinzagelegging van het vastgestelde plan ingevolge artikel 26 van de WRO.

Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 3:11 van de Awb te zien als een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan. Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) plan, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen.

Niet in geschil is dat het Waterplan gemeente Almelo (hierna: het waterplan), de jaarlijkse luchtrapportages en het originele, ondertekende akoestisch onderzoek niet met het plan ter inzage zijn gelegd.

2.3.3.1. De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting een kopie van een luchtkwaliteitrapport is opgenomen. Dit rapport is opgesteld op basis van een specifiek onderzoek naar de gevolgen die het plan heeft voor de luchtkwaliteit. Dit rapport is als onderdeel van de plantoelichting ter inzage gelegd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de jaarlijkse luchtrapportages, als door [appellant sub 2] bedoeld, geen stukken zijn die redelijkerwijs nodig waren voor een beoordeling van het besluit. Derhalve behoefden deze rapportages niet ter inzage te worden gelegd.

Met betrekking tot het originele, ondertekende akoestisch onderzoek stelt de Afdeling vast dat een kopie van het akoestisch onderzoek is opgenomen in de plantoelichting. In de WRO noch in de Awb valt een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is het originele, ondertekende onderzoek ter inzage te leggen.

2.3.3.2. Gelet op het feit dat in de plantoelichting voor de watertoets wordt verwezen naar de conclusies in het waterplan, is de Afdeling van oordeel dat het waterplan een op het plan betrekking hebbend stuk is, dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de beoordeling van het plan. Het waterplan is dan ook ten onrechte niet met het vastgestelde plan ter inzage gelegd. Het betoog van de gemeenteraad dat [appellant sub 2], nu dit stuk, op zijn verzoek, alsnog aan hem is toegestuurd, niet in zijn belangen is geschaad, slaagt niet. Een dergelijke uitleg van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, zou er immers toe leiden dat de uit deze bepaling voortvloeiende verplichting wordt beperkt tot een passieve plicht tot openbaarmaking. Ook gelet op de bewoordingen van deze bepaling, die spreekt van het ter inzage leggen van de op het besluit betrekking hebbende stukken ""met"" het besluit, dienen deze stukken tezamen met het plan voor inzage beschikbaar te zijn en bij een verzoek om inzage van de op het plan betrekking hebbende stukken ter hand te worden gesteld.

De schending van artikel 3:11 van de Awb leidt in dit geval echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

[appellant sub 2] richt zich uitsluitend tegen de gebrekkige terinzagelegging van de op het vastgestelde plan betrekking hebbende stukken. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, neemt de Afdeling aan dat het waterplan wel met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. Gelet hierop en gelet op de onderdelen van het ontwerpplan waartegen bij de raad zienswijzen waren gericht, alsmede in aanmerking genomen de aard van de wijzigingen die de raad bij de vaststelling heeft aangebracht, acht de Afdeling niet aannemelijk dat in dit geval [appellant sub 2] en andere belanghebbenden zijn benadeeld door de in zoverre gebrekkige terinzagelegging. De Afdeling ziet dan ook aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

2.4. Meer inhoudelijk voert [appellant sub 2] aan, samengevat weergegeven, dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar geluidhinder en dat de beschikking hogere grenswaarden niet voor alle wijzigingslocaties in hogere waarden voorziet. Daarnaast stelt hij dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. Tevens zijn het vooronderzoek met betrekking tot kantoor-aan-huissituaties en het luchtkwaliteitonderzoek ondeugdelijk, aldus [appellant sub 2]. Hij stelt voorts dat de bewoordingen van de artikelen 15 en 22 van de planvoorschriften onduidelijk zijn en dat de artikelen 3 en 20 van de planvoorschriften te beperkend zijn.

2.4.1. Voor zover [appellant sub 2] wijst op een aantal gebreken in de beschikking hogere grenswaarde zelf, overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat de beroepsonderdelen die tegen de beschikking zijn gericht, niet in deze procedure aan de orde kunnen komen omdat tegen de beschikking zelfstandige rechtsmiddelen hadden kunnen worden aangewend, hetgeen [appellant sub 2] heeft nagelaten.

2.4.2. [appellant sub 2] voert in het kader van de geluidhinder onder andere aan dat in enkele situaties sprake zou kunnen zijn van geluidsoverlast door bedrijven.

Vaststaat dat het in de door [appellant sub 2] naar voren gebrachte gevallen gaat om bestaande situaties, waarvoor het voorliggende plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de door hem gestelde overlast voor de omwonenden niet kan worden volstaan met handhaving in het kader van de openbare orde.

2.4.2.1. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de beschikking hogere grenswaarden op grond van de Wet geluidhinder niet op alle locaties van toepassing is waarvoor een wijzigingsbevoegdheid naar een woonbestemming geldt.

De Afdeling stelt vast dat wat betreft de door appellant genoemde locaties aan de [locatie 1] en [locatie 2], de hogere waarden weliswaar zijn toegekend aan andere huisnummers, maar dat deze huisnummers dezelfde locatie betreffen. Voor die locaties gelden derhalve de hogere waarden.

Het plandeel dat betrekking heeft op de door [appellant sub 2] genoemde locatie [locatie 3] is door een bestemmingsgrens gescheiden van het plandeel dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 4]. Dit heeft tot gevolg dat de voor de gronden aan de [locatie 4] voorziene wijzigingsbevoegdheid niet van toepassing is op de gronden aan de [locatie 3].

Dit betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

2.4.2.2. Ten aanzien van de locaties [locatie 5] en [locatie 6] stelt de Afdeling vast dat het plan voor de plandelen die betrekking hebben op deze locaties, voorziet in een wijzigingsbevoegdheid naar een woonbestemming. Voor deze locaties zijn blijkens de beschikking hogere grenswaarden geen hogere grenswaarden verleend. Uit de wijzigingsvoorwaarden die in de planvoorschriften zijn opgenomen, volgt dat aan de wijzigingsbevoegdheid geen toepassing mag worden gegeven indien niet ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan hogere grenswaarden zijn verleend. De voor deze plandelen voorziene wijzigingsbevoegdheden kunnen derhalve niet worden toegepast. Nu reeds op voorhand vaststaat dat deze planonderdelen niet uitvoerbaar zijn, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door deze planonderdelen goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduidingen 'wijzigingsbevoegdheid naar woondoeleinden van toepassing' voor zover die betrekking hebben op de plandelen die zien op de gronden aan de [locatie 5] en [locatie 6].

2.4.3. [appellant sub 2] richt zich voorts tegen de artikelen 15 en 22 van de planvoorschriften.

De planvoorschriften die in de artikelen 15 en 22 zijn opgenomen en de in die voorschriften gebruikte formuleringen, zijn gebruikelijke bepalingen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem betwiste formuleringen tot onduidelijkheid of rechtsonzekerheid zullen leiden of dat door deze formuleringen ongewenste bouwwerken dan wel ongewenste activiteiten zullen moeten worden toegestaan. Daargelaten de vraag naar de ruimtelijke relevantie acht de Afdeling het feit dat in het plan geen regeling ten behoeve van honden-losloopplekken is opgenomen evenmin in strijd met de rechtszekerheid.

2.4.4. Tevens voert [appellant sub 2] aan dat de termijn voor terinzagelegging van twee weken voor een voornemen tot vrijstelling, zoals die is opgenomen in artikel 20 van de planvoorschriften, te kort is.

De Afdeling overweegt dat afdeling 3:4 van de Awb niet van toepassing is op de procedure van een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO. Het gemeentebestuur mag hiervoor een eigen procedure in het plan opnemen. Mede gelet op het feit dat met een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO slechts op ondergeschikte onderdelen van het plan mag worden afgeweken, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen met een termijn van twee weken voor de terinzagelegging van een voornemen tot vrijstelling.

2.4.5. [appellant sub 2] stelt voorts dat de bebouwingsregeling voor bijgebouwen in artikel 3 van de planvoorschriften vergeleken met het vorige plan te beperkend is.

De Afdeling overweegt hiertoe dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Voorts overweegt de Afdeling dat de bebouwingsregeling zoals opgenomen in artikel 3 van de planvoorschriften een gebruikelijke regeling is en dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door deze regeling het doelmatig gebruik van de gronden wordt beperkt.

2.4.6. Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 2] dat de aanduiding 'waardevolle bomen' niet op het blad met verklaringen is vermeld, stelt de Afdeling vast dat deze aanduiding op blad 3 van de plankaart, te weten het blad met verklaringen, is vermeld.

Deze stelling mist derhalve feitelijke grondslag.

2.4.7. Daarnaast brengt [appellant sub 2] naar voren dat de in het plan opgenomen woonbestemmingen kantoor-aan-huis niet direct maar enkel na vrijstelling mogelijk maken, waardoor het mogelijk is dat bestaande kantoren onder het overgangsrecht zijn gebracht.

Hiertoe overweegt de Afdeling dat blijkens het bestreden besluit verweerder om deze reden reeds goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel dat ziet op de gronden die eigendom zijn van [appellant sub 2]. Gelet hierop valt niet in te zien welk belang [appellant sub 2] nog heeft bij dit betoog.

Dit betoog faalt derhalve.

2.4.8. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] voor zover dat is gericht tegen het luchtkwaliteitonderzoek, overweegt de Afdeling dat blijkens de in de plantoelichting opgenomen rekenresultaten in de directe nabijheid van de grotere kruispunten onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit.

Het betoog van [appellant sub 2] dat tot het tegendeel strekt, mist derhalve feitelijke grondslag.

2.4.8.1. Met betrekking tot de activiteiten zoals barbecues en het stoken van open haarden, waarvan [appellant sub 2] stelt dat daarmee in het onderzoek naar de luchtkwaliteit rekening had moeten worden gehouden, overweegt de Afdeling dat deze activiteiten vormen van gebruik betreffen die niet in een bestemmingsplan kunnen worden gereguleerd. De gemeenteraad behoefde daar in het onderzoek naar de luchtkwaliteit dan ook geen rekening mee te houden. Overigens volgt uit het luchtkwaliteitonderzoek dat aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) gestelde normen wordt voldaan. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan de eisen van het Blk 2005.

2.4.9. Voorts brengt [appellant sub 2] een aantal verkeerssituaties naar voren die bij de voorbereiding van het plan naar zijn mening onvoldoende aandacht hebben gekregen. Hij wijst hierbij op de ligging van twee bestaande fietspaden en op een toekomstige fietsbrug.

De Afdeling overweegt dat dit aspecten zijn die niet in deze procedure aan de orde kunnen komen omdat besluitvorming hieromtrent in een ander kader plaatsvindt.

2.4.10. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar bestaande lichthinder en mogelijke maatregelen daartegen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat binnen het plangebied sprake is van lichthinder waartegen maatregelen dienen te worden getroffen.

Dit betoog slaag niet.

2.4.11. [appellant sub 2] voert verder aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de aanwezige flora en fauna in het plangebied. Verweerder heeft zich in navolging van de gemeenteraad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de voorbereiding van het onderhavige plan geen onderzoek overeenkomstig de Flora- en faunawet nodig was. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan betrekking heeft op een reeds bestaande woonwijk. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op enig perceel binnen het plangebied sprake is van een situatie waarbij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zich daar beschermde flora en fauna bevinden die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.

Dit betoog faalt derhalve.

2.4.12. De conclusie is dat, met uitzondering van hetgeen is overwogen onder nummer 2.4.2.2., hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is mitsdien in zoverre ongegrond.

2.5. [appellanten sub 1], van wie de achtertuinen grenzen aan het terrein van de Openbare Scholengemeenschap Erasmus, stellen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de geluid- en andere overlast die zij ondervinden van de schoolactiviteiten op het schoolterrein achter hun huizen sinds dit terrein in de zomer van 2000 met asfalt is verhard. Zij stellen dat in het plan ten onrechte geen voorschrift is opgenomen dat voorkomt dat de gronden anders dan als tuin worden gebruikt. Daarnaast is het plan huns inziens in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de groenzone aan de andere kant van het schoolterrein veel breder is dan aan de zijde van de [locatie].

2.5.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de direct achter de tuinen van appellanten aangebrachte verharding niet in strijd is met de bestemming ""Tuin A (TA)"", dat geen sprake is van een planologische verslechtering en dat voor zover [appellanten sub 1] overlast ondervinden van het gebruik van dit gedeelte van het schoolterrein, dit primair in de sfeer van de openbare orde moet worden opgelost. Daarnaast is van belang op welke afstand van de huizen de bestemming ""Maatschappelijke Doeleinden A (MDA)"" ligt, aldus verweerder. Deze afstand is ook bij de aan de [locatie] gelegen huizen van [appellanten sub 1] minstens 18 meter, hetgeen verweerder aanvaardbaar acht.

2.5.2. Ten aanzien van de door [appellanten sub 1] gemaakte vergelijking met de gronden met een tuinbestemming aan de andere zijde van het schoolterrein, overweegt de Afdeling dat het plandeel dat voorziet in een groenbestemming aan de andere zijde van het schoolterrein even breed is als het plandeel dat voorziet in de groenbestemming bij de percelen van [appellanten sub 1]. Dit plandeel heeft ook dezelfde bestemming, te weten ""Tuin A (TA)"". De planologische situatie op deze gronden is derhalve gelijk aan de situatie op de gronden achter de tuinen van [appellanten sub 1].

Reeds hierom faalt dit betoog.

2.5.3. Voor zover [appellanten sub 1] stellen dat de bestemming ""Tuin A (TA)"" ten onrechte ook ander gebruik dan als tuin toelaat en dat zij hierdoor veel overlast ondervinden van het achter hun tuinen liggende schoolterrein, overweegt de Afdeling het volgende. [appellanten sub 1] hebben benadrukt dat de door hen ondervonden overlast wordt veroorzaakt door de verharding van het schoolterrein. Blijkens de plantoelichting en het vaststellingsbesluit erkent de gemeenteraad dat sprake is van hinder voor [appellanten sub 1]. Ingevolge artikel 13 van de planvoorschriften zijn de als ""Tuin A (TA)"" aangewezen gronden bestemd voor tuin met de daarbij behorende andere bouwwerken, groenvoorzieningen, verhardingen, tuinafscheidingen en overige bijbehorende voorzieningen. Zoals ter zitting van de kant van verweerder en de gemeenteraad is bevestigd staat het plan aldus nieuw asfalt en extra verharding toe. Onder deze omstandigheden, waarin door [appellanten sub 1] is gesteld en van gemeentewege is erkend dat sprake is van door de verharding veroorzaakte hinder van de op het schoolterrein plaatsvindende activiteiten, heeft verweerder niet kunnen volstaan met een verwijzing naar handhaving in het kader van de openbare orde onder gelijktijdige goedkeuring van een bestemming die intensivering van de hinder mogelijk maakt. Er bestond aanleiding tot het verrichten van een onderzoek naar de hinder van deze activiteiten en naar de mogelijkheden deze hinder te beperken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming ""Tuin A (TA)"" dat grenst aan de tuinen van [appellanten sub 1], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1.

Overigens merkt de Afdeling op dat verweerder tevens zou kunnen bezien of de overlastproblematiek wellicht zou kunnen worden verminderd dan wel opgelost door de aanleg van een groenzone.

2.6. Ten aanzien van [appellanten sub 1] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor zover gericht tegen de aanduidingen 'wijzigingsbevoegdheid naar woondoeleinden van toepassing' voor zover die betrekking hebben op de plandelen die zien op de gronden aan de [locatie 5] en [locatie 6], gegrond;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 20 februari 2007, kenmerk 2007/0112068, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. de aanduidingen 'wijzigingsbevoegdheid naar woondoeleinden van toepassing' voor zover die betrekking hebben op de plandelen die zien op de gronden aan de [locatie 5] en [locatie 6];

b. het plandeel zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 361,83 (zegge: driehonderdeenenzestig euro en drieëntachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan [appellanten sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Overijssel aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 1], en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 2], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broodman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008

204-545.

plankaart