Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
200706949/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublinverordening / Malta / interstatelijk vertrouwensbeginsel / eerder asielverzoek niet behandeld

De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans van belang en in hoger beroep onbestreden, overwogen dat de Maltese autoriteiten niet binnen de in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening gestelde termijn hebben gereageerd en dat daaruit, ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, volgt dat Malta van rechtswege wordt geacht te hebben ingestemd met de terugname van de vreemdeling.

Hieruit vloeit voort dat Malta ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening is gehouden het asielverzoek volledig te behandelen. In het kader van deze bepaling is, zoals de staatssecretaris ter zitting terecht heeft betoogd, eerst dan sprake van concrete aanwijzingen dat Malta zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens de vreemdeling niet zal nakomen, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij, voordat kan worden onderzocht en vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico’s loopt, naar het land van herkomst wordt uitgezet. Deze uitleg is, anders dan de vreemdeling ter zitting heeft betoogd, niet voor tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel vatbaar.

Hoewel Malta, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, niet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Eurodacverordening neergelegde en op hem rustende verplichting heeft voldaan en, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, niet uitgesloten kan worden geacht dat Malta de door de vreemdeling in juni 2004 ingediende aanvraag niet heeft behandeld, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat Malta niet zal onderzoeken of hij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien hij naar het land van herkomst terugkeert en dat daarom het risico bestaat dat Malta zijn verplichtingen voortvloeiend uit deze verdragen jegens hem niet zal nakomen.

Dat naar aanleiding van de door de vreemdeling in juni 2004 ingediende aanvraag om asiel niet is onderzocht en vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico’s loopt, indien hij naar het land van herkomst wordt uitgezet, betekent niet dat thans niet door Malta zal worden onderzocht en vastgesteld of hij deze risico's loopt.

Bovendien hebben de Maltese autoriteiten de vreemdeling hangende de door de hem in juni 2004 ingediende aanvraag niet naar diens land van herkomst uitgezet en heeft de vreemdeling ter zitting verklaard dat Malta Somalische asielzoekers niet terugstuurt naar het land van herkomst. Reeds hierom kan het betoog van de vreemdeling ter zitting dat Malta een bevoegdheid tot uitzetting heeft en daarvan elk moment gebruik kan maken, geen doel treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/200 met annotatie van HBA
Ars Aequi RV20080009 met annotatie van K.M. Zwaan

Uitspraak

200706949/1.

Datum uitspraak: 1 april 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/26153 en 07/26157 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2008, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het door de vreemdeling ter zitting naar voren gebrachte betoog dat Nederland artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) schendt door hem aan Malta over te dragen, omdat in dat land geen adequate opvang voorhanden is, kan, nu het na afloop van de voor het instellen van het hoger beroep gestelde termijn is toegevoegd aan hetgeen in het hoger-beroepschrift naar voren is gebracht, niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

2.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze Verordening onder "behandeling van het asielverzoek" verstaan: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een asielverzoek overeenkomstig het nationaal recht.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, voor zover thans van belang, kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, is de lidstaat die krachtens deze Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, verplicht het asielverzoek volledig te behandelen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, is de lidstaat die krachtens deze Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, verplicht om een asielzoeker wiens verzoek in behandeling is en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben verkregen, volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is de voor terugname verzochte lidstaat verplicht de gegevens te verifiëren en op het verzoek te antwoorden, en wel zo spoedig mogelijk en onder geen beding later dan één maand nadat het aan hem is voorgelegd.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, van dat artikel, voor zover thans van belang, wordt de om terugname verzochte lidstaat, indien hij niet reageert binnen de onder b) genoemde termijn van één maand geacht in te stemmen met terugname van de asielzoeker.

Ingevolge artikel 4 , eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (hierna: de Eurodacverordening), voor zover thans van belang, neemt elke lidstaat onverwijld vingerafdrukken van alle vingers van elke asielzoeker van veertien jaar of ouder en zendt de in artikel 5, eerste lid, onder a tot en met f, genoemde gegevens, waaronder de vingerafdrukken, onverwijld toe aan de centrale eenheid.

Ingevolge artikel 6 worden de in artikel 5, eerste lid, genoemde gegevens, waaronder de vingerafdrukken, in de centrale gegevensbank bewaard voor een periode van tien jaar vanaf de datum waarop de vingerafdrukken zijn genomen.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), ten tijde en voor zover thans van belang, wordt ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daarbij wordt verwezen naar overwegingen 2 en 15 van de considerans van de Verordening. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Daarbij ligt het op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Dit is slechts mogelijk wanneer de asielzoeker in de verantwoordelijke lidstaat (g)een beslissing heeft gehad of kan worden beschouwd als uitgeprocedeerd.

2.2.1. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2007 in zaak nr. 200706021/1 (www.raadvanstate.nl) strekt voormelde tekst van paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vc 2000 ertoe aan te geven dat de vraag of er concrete aanwijzingen zijn van verdragsschending zowel bij overname bedoeld in artikel 16 van de Verordening als bij terugname bedoeld in artikel 20 van de Verordening aan de orde kan zijn en dat het voor de beantwoording van die vraag dan ook niet uitmaakt of de vreemdeling al dan niet een asielprocedure heeft doorlopen en is uitgeprocedeerd.

2.3. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij ter onderbouwing van zijn stelling dat bij overdracht aan Malta sprake zou zijn van reëel risico op indirect refoulement een beroep heeft gedaan op de algehele situatie ten aanzien van vluchtelingen op Malta, zonder een geïndividualiseerde onderbouwing die ziet op zijn situatie en dat zijn stelling dat na terugzending uit Finland geen statusdeterminatie heeft plaatsgevonden, omdat op Malta geen gegevens in Eurodac zijn ingevoerd en de Maltese autoriteiten geen gegevens van hem hebben, niet kan slagen, nu deze niet nader is onderbouwd. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de voorzieningenrechter daarmee voorbij is gegaan aan de onderbouwing van deze stelling met het formulier 'Eurodac search result' en de brief van de Maltese autoriteiten van 11 juni 2007, waarin zij weigeren hem terug te nemen en te kennen geven niets over de vreemdeling te hebben gevonden, zodat sprake is van concrete aanwijzingen dat de Maltese autoriteiten zijn asielverzoek niet hebben geregistreerd en behandeld. Nu Malta derhalve zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet is nagekomen, had de staatssecretaris zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen aan zich dienen te trekken, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Uit het besluit van 26 juni 2007 blijkt dat de staatssecretaris de verklaring van de vreemdeling dat hij in juni 2004 op Malta een aanvraag om asiel heeft ingediend geloofwaardig heeft geacht. Voorts blijkt uit het formulier 'Eurodac search result' dat de vreemdeling op 23 december 2004 in Finland een aanvraag om asiel heeft ingediend, maar niet dat hij op Malta een aanvraag om asiel heeft ingediend.

Derhalve is niet gebleken, zoals ook de staatssecretaris ter zitting te kennen heeft gegeven, dat Malta aan de in artikel 4, eerste lid, van de Eurodacverordening neergelegde en op hem rustende verplichting van het nemen van vingerafdrukken en het verzenden daarvan aan de centrale eenheid heeft voldaan.

2.3.2. Uit het door de staatssecretaris aan de Maltese autoriteiten gerichte verzoek van 26 april 2007 om de vreemdeling terug te nemen, blijkt dat de vraag of de vreemdeling ook nog andere namen dan de door hem opgegeven naam heeft gevoerd, ontkennend is beantwoord.

Derhalve heeft de staatssecretaris ook geloofwaardig geacht dat de vreemdeling onder dezelfde naam in juni 2004 een aanvraag om asiel op Malta heeft ingediend. Nu niet is gebleken dat Malta naar aanleiding van deze aanvraag de vingerafdrukken van de vreemdeling heeft genomen en deze hebben verzonden aan de centrale eenheid en voorts de Maltese autoriteiten bij brief van 11 juni 2007 te kennen hebben gegeven niets over de vreemdeling te hebben gevonden, kan niet uitgesloten worden geacht dat de Maltese autoriteiten deze door de vreemdeling ingediende aanvraag niet hebben behandeld. De staatssecretaris heeft ter zitting daarover geen uitsluitsel kunnen geven.

De voorzieningenrechter heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de vreemdeling zijn stelling dat geen statusdeterminatie heeft plaatsgevonden niet heeft onderbouwd.

2.4. De in de grief vervatte klacht is terecht voorgedragen. De grief leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.4.1. De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans van belang en in hoger beroep onbestreden, overwogen dat de Maltese autoriteiten niet binnen de in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening gestelde termijn hebben gereageerd en dat daaruit, ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, volgt dat Malta van rechtswege wordt geacht te hebben ingestemd met de terugname van de vreemdeling.

Hieruit vloeit voort dat Malta ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening is gehouden het asielverzoek volledig te behandelen. In het kader van deze bepaling is, zoals de staatssecretaris ter zitting terecht heeft betoogd, eerst dan sprake van concrete aanwijzingen dat Malta zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens de vreemdeling niet zal nakomen, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij, voordat kan worden onderzocht en vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico’s loopt, naar het land van herkomst wordt uitgezet. Deze uitleg is, anders dan de vreemdeling ter zitting heeft betoogd, niet voor tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel vatbaar.

2.4.2. Hoewel Malta, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, niet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Eurodacverordening neergelegde en op hem rustende verplichting heeft voldaan en, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, niet uitgesloten kan worden geacht dat Malta de door de vreemdeling in juni 2004 ingediende aanvraag niet heeft behandeld, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat Malta niet zal onderzoeken of hij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien hij naar het land van herkomst terugkeert en dat daarom het risico bestaat dat Malta zijn verplichtingen voortvloeiend uit deze verdragen jegens hem niet zal nakomen.

Dat naar aanleiding van de door de vreemdeling in juni 2004 ingediende aanvraag om asiel niet is onderzocht en vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico’s loopt, indien hij naar het land van herkomst wordt uitgezet, betekent niet dat thans niet door Malta zal worden onderzocht en vastgesteld of hij deze risico's loopt.

Bovendien hebben de Maltese autoriteiten de vreemdeling hangende de door de hem in juni 2004 ingediende aanvraag niet naar diens land van herkomst uitgezet en heeft de vreemdeling ter zitting verklaard dat Malta Somalische asielzoekers niet terugstuurt naar het land van herkomst. Reeds hierom kan het betoog van de vreemdeling ter zitting dat Malta een bevoegdheid tot uitzetting heeft en daarvan elk moment gebruik kan maken, geen doel treffen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008

347-549.

Verzonden: 1 april 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak