Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200608741/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Delft (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Spoorzone" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/417
Milieurecht Totaal 2008/2754

Uitspraak

200608741/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, alle gevestigd te [plaats],

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], allen wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], gevestigd te [plaats],

6. de vereniging "Belangenvereniging Wateringse Poort", gevestigd te Delft,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "PK Bouw B.V.", gevestigd te Delft,

8. [appellant sub 8], gevestigd te [plaats],

9. [appellant sub 9], gevestigd te [plaats], gemeente Zandvoort, en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Delft (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Spoorzone" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2911A, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2006, appellanten sub 2 bij brief van 6 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2006, appellanten sub 3 bij brief van 12 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, appellanten sub 4 bij brief van 14 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2006, appellante sub 5 bij brief van 15 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellante sub 6 bij brief van 12 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2006, appellante sub 7 bij brief van 14 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2006, appellante sub 8 bij brief van 14 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2006, en appellanten sub 9 bij brief van 18 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 december 2006 en 3 januari 2007. Appellante sub 5 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 januari 2007.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 september 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de raad en appellanten sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 19 december 2007 hebben de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, daartoe bij brief van 5 december 2007 door de Afdeling verzocht, met toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) schriftelijk inlichtingen gegeven. Deze brief is aan partijen toegezonden.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zijn de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 5, de raad en appellanten sub 4. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2008, waar appellanten sub 1, van wie [appellant sub 1] in persoon, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen en mr. drs. L. ten Velden, advocaten te 's-Gravenhage, [gemachtigden], appellanten sub 3, van wie [appellant sub 3] in persoon, appellanten sub 4, van wie [appellanten sub 4] in persoon en [gemachtigde], appellante sub 5, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam, appellante sub 6, vertegenwoordigd door mr. H.J. Timman, voorzitter, appellante sub 7 en appellante sub 8, beide vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piccardt, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, mr. M. van Arendonk, ir. J.G. van der Post en ir. E.I. Bijleveld-van der Hoeven, allen ambtenaren van de gemeente, ir. K.M.A. Hoogenboezem-Lanslots, ing. C.M. Brunner, ing. J.M. van Riet en mr. M.E. Pietermaat-Kros, allen adviseurs, en de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vertegenwoordigd door mr. H.A.J. Gierveld, ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in herontwikkeling van de spoorzone in het centrum van Delft door onder meer de bouw van een viersporige spoortunnel, ongeveer 1.500 nieuwe woningen, 50.000 m² kantoren waaronder een stadskantoor, en een nieuw station. Verweerder heeft aan het plan goedkeuring verleend. Appellanten richten zich in beroep tegen de goedkeuring van het plan en onderdelen ervan.

Ter zitting heeft de vereniging "Belangenvereniging Wateringse Poort" (hierna: de Belangenvereniging) de beroepsgronden over de waterhuishouding en de behoefte aan kantoorruimte ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.2. Het beroep van [appellanten sub 3], voor zover gericht tegen de verkeersafwikkeling en daarmee tegen de planonderdelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden" en "Verblijfsgebied" ter plaatse van de Westvest, steunt niet op een bij de raad ingediende zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Awb kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van verweerder, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Bij de vaststelling van het plan is artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd doordat onder meer sub e tot en met sub g zijn toegevoegd. Ingevolge sub e zijn de gronden aangewezen voor Verkeersdoeleinden (V) ter plaatse van de Westvest bestemd voor een bus-trambaan met ten hoogste 2x1 rijstrook. Ingevolge sub g zijn de gronden aangewezen voor Verkeersdoeleinden (V), voor zover niet genoemd in sub a tot en met f, bestemd voor wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook. Nu de gronden ter plaatse van de Westvest zijn genoemd in sub e volgt hieruit dat deze gronden, in tegenstelling tot de regeling in het ontwerpplan, niet zijn bestemd voor wegen met een doorgaande rijstrook als bedoeld in sub g. Artikel 13 is niet gewijzigd. In dit artikel is bepaald dat de gronden aangewezen voor Verblijfsgebied (VG) onder meer zijn bestemd voor verblijf, verplaatsing en gebruik voor de aangrenzende bestemmingen.

[appellanten sub 3] hebben in beroep aangevoerd dat de Westvest ten onrechte niet alleen toegankelijk is voor bestemmingsverkeer en openbaar vervoer. Uit de strekking van artikel 27 van de WRO vloeit voort dat het beroep slechts ontvankelijk is voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan voor [appellanten sub 3] een ongunstiger situatie bewerkstelligen. Nu met de wijziging van artikel 12 in samenhang bezien met artikel 13 van de planvoorschriften wordt bereikt dat de Westvest alleen mag worden gebruikt voor bestemmingsverkeer en openbaar vervoer, zoals [appellanten sub 3] beogen, doet deze situatie zich niet voor. Ook is niet gebleken dat het [appellanten sub 3] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij ter zake geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft hij erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Tracébesluit

2.4. [appellanten sub 4] betogen dat voor de beoogde verplaatsing van het spoor een tracébesluit met bijbehorende milieueffectrapport is vereist, nu over een lengte van 500 meter de hartlijn van het spoor meer dan 25 meter wordt verplaatst.

2.4.1. Bij wet van 20 oktober 2005 tot wijziging van de Tracéwet (tweede tranche) is de Tracéwet gewijzigd. Ingevolge het besluit van 15 november 2005, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 20 oktober 2005, is deze wet op 30 november 2005 geheel in werking getreden. Het besluit tot vaststelling van het plan en het besluit over de goedkeuring van het plan zijn na 30 november 2005 genomen. Het bij de wet van 20 oktober 2005 behorende overgangsrecht bevat geen bepaling op grond waarvan de Tracéwet, zoals deze luidde vóór de wijziging, op de onderhavige besluitvorming nog van toepassing is. De Tracéwet, zoals deze vanaf 30 november 2005 luidt, vormt derhalve het toetsingskader voor de vraag of een tracébesluit is vereist.

Ingevolge artikel 2, aanhef en eerste lid, van de Tracéwet, voor zover thans van belang, is deze wet van toepassing op:

[…]

c. een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee Onze Minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren, en die bestaat uit:

1˚. een uitbreiding van die spoorweg met één of meer sporen, indien het uit te bereiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt;

2˚. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken;

3˚. de aanleg van een verbindingsboog; of

4˚. een geheel van onderling samenhangende maatregelen ten aanzien van die spoorweg.

[…]

2.4.2. De minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) stelt zich op het standpunt dat de in het plan opgenomen spoorwegvoorzieningen niet onder het toepassingsbereik van de Tracéwet vallen. De minister stelt daartoe dat, hoewel het bij de spoortunnel om een spoorwegbouwkundig bouwwerk gaat, van een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee de minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub c, onder de aanhef van de Tracéwet geen sprake is. Dit standpunt vindt steun in de wetsgeschiedenis, aldus de minister.

In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Tracéwet (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 859, nr. 3, blz. 8 en nr. 6, blz. 14 en 15) staat dat de Tracéwet alleen van toepassing is in die gevallen waar het Rijk de regie wil voeren over de besluitvorming over een belangrijke wijziging van de hoofdinfrastructuur. Op bladzijde 13 van de memorie van toelichting staat verder onder meer dat een wijziging van een landelijke spoorweg in bepaalde gevallen onder de werking van de Tracéwet wordt gebracht. Daarbij geldt als algemene voorwaarde dat dit slechts het geval is wanneer de minister het oogmerk heeft door middel van die wijziging de bruikbaarheid van de spoorweg te verbeteren. Voor toepassing van de Tracéwet is slechts aanleiding als de minister, en niet een derde, van oordeel is dat een voorgenomen werk met betrekking tot de wijziging van de landelijke spoorweg de bruikbaarheid van de landelijke spoorweg beoogt te verbeteren.

Gezien de bewoordingen in artikel 2, eerste lid, sub c, onder de aanhef, mede gezien in het licht van de wetsgeschiedenis, wordt de door de minister aan dit artikel gegeven uitleg juist geacht. Voor de toepasselijkheid van de Tracéwet betekent dit dat, naast het antwoord op de vraag of maatregelen worden getroffen die vallen onder de onderdelen 1 tot en met 4 van artikel 2, eerste lid, sub c, ook moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de minister de bruikbaarheid van de landelijke spoorweg met deze maatregelen beoogt te verbeteren. De in het plan opgenomen spoorwegvoorzieningen, die deels ondergronds zijn gesitueerd, strekken ertoe de door de raad voorgestane stedelijke ontwikkeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid in dit deel van het centrum van Delft mogelijk te maken. Met het oog op toekomstige infrastructurele ontwikkelingen is tevens voorzien in ruimte ten behoeve van een verbreding van de spoorweg. Van een initiatief van het Rijk of een project waarover de minister de regie wil voeren is evenwel geen sprake, zodat aan de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, sub c, onder de aanhef, niet is voldaan. De Tracéwet is op de aanleg van de spoortunnel derhalve niet van toepassing, zodat geen tracébesluit is vereist.

Procedurele aspecten

2.5. [appellant sub 5] stelt dat verweerder bij het nemen van zijn besluit ten onrechte is uitgegaan van een luchtkwaliteitrapport en een brief over de ecologie die dateren van ná de vaststelling van het plan en van onderzoeken die niet met het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd. [appellanten sub 1] en [appellant sub 5] voeren aan dat de raad en verweerder niet zijn ingegaan op alle zienswijzen en bedenkingen, waaronder nadere reacties op rapporten, en ten onrechte verwijzen naar reacties op andere zienswijzen en bedenkingen.

2.5.1. Ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) is het in beginsel de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om bij de voorbereiding van een plan ook de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit en de ecologische waarden te onderzoeken. Niettemin staat deze bepaling, noch enig andere, eraan in de weg dat de raad na de vaststelling van het plan alsnog voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring van het plan stukken overlegt. In dat geval kan het college van gedeputeerde staten de stukken bij zijn besluitvorming betrekken. Verweerder heeft, alvorens omtrent goedkeuring te beslissen, [appellant sub 5] in de gelegenheid gesteld op het luchtkwaliteitrapport en de brief te reageren, zodat geen reden bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid. [appellant sub 5] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat andere dan voornoemde onderzoeken niet met het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd en dat in strijd met artikel 26 van de WRO is gehandeld.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad en verweerder bezwaren samengevat weergeven. In de reacties op de zienswijzen en bedenkingen is op de bezwaren van [appellant sub 5] en [appellanten sub 1] ingegaan. [appellanten sub 1] en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat bezwaren in hun geheel buiten beschouwing zijn gelaten. Dat niet op elk argument ter ondersteuning van een bezwaar afzonderlijk is ingegaan, kan als zodanig niet tot het oordeel leiden dat het besluit van de raad en het bestreden besluit onvoldoende zijn gemotiveerd. Voorts hebben de raad en verweerder naar de reacties op andere zienswijzen en bedenkingen en verweerder naar de reactie van het gemeentebestuur op de bedenkingen verwezen. Er is geen wettelijke bepaling die, of algemeen rechtsbeginsel dat, aan een dergelijke handelwijze in de weg staat. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke handelwijze op voorhand tot de conclusie dient te leiden dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.6. Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat ten onrechte geen inspraak mogelijk is geweest over een wijziging van het Lokaal Verkeers- en Vervoersplan (hierna: LVVP), overweegt de Afdeling dat het LVVP niet ten behoeve van het plan is opgesteld en de wijze waarop het LVVP tot stand is gekomen niet in deze procedure aan de orde kan komen.

2.7. [appellanten sub 3] stellen dat de raad belang heeft bij het realiseren van een stadskantoor, zodat geen onpartijdige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Het enkele feit dat in het plan een stadskantoor ten behoeve van de gemeente is voorzien, leidt niet tot het oordeel dat de raad met vooringenomenheid in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Awb het plan heeft vastgesteld. [appellanten sub 3] hebben geen andere omstandigheden aangevoerd, waaruit deze vooringenomenheid zou blijken. Dit betoog faalt.

Milieueffectrapport

2.8. [appellanten sub 4] stellen dat het milieueffectrapport "Spoorzone Delft" (hierna: het MER) onzorgvuldig is. Volgens hen is bewust naar een bepaalde uitvoeringsvariant toegeschreven, zijn geen stedenbouwkundige alternatieven met behoud van de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel bezien, is ten onrechte tijdens het opstellen van het MER beslist tot sloop van deze woningen en is het effect van mitigerende maatregelen niet voor alle uitvoeringsvarianten onderzocht.

2.8.1. In het MER zijn acht uitvoeringsvarianten bezien met een spoortunnel met een oostelijke of westelijke richting, een lange of korte spoortunnel, een ondiepe ligging van de spoortunnel, een noordelijk of zuidelijk station, een bovengronds station, bovengrondse of ondergrondse perrons, een oostelijke of westelijke ligging van de hoofdontsluiting en de ligging van de bus- en trambaan op de Westvest of een nieuwe baan. Tot deze acht varianten behoren ook drie varianten met behoud van de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel. De beroepsgrond van [appellanten sub 4] mist in zoverre feitelijke grondslag. Bij dit onderzoek zijn de gevolgen van verschillende liggingen van de spoortunnel voor de stedelijke herontwikkeling bezien. Op bladzijde 105 van het MER staat dat bij het bepalen van het meest milieuvriendelijke alternatief (hierna: MMA) is uitgegaan van de vier uitvoeringsvarianten die de meeste voordelen voor het milieu hebben. Volgens bladzijde 107 van het MER zijn voor deze vier uitvoeringsvarianten de effecten van mitigerende maatregelen voor de milieugevolgen bezien. Aan de hand van de vraag in hoeverre de negatieve milieugevolgen te mitigeren zijn, zijn in het MER in het licht van de doelstellingen van de stedelijke herontwikkeling nieuwe afwegingen gemaakt. Daarna zijn in het MER de vier uitvoeringsvarianten opnieuw met elkaar vergeleken. In het MER is geconcludeerd dat een lange tunnel met een oostelijke ligging het MMA is. De Afdeling acht dit geen onjuiste of onzorgvuldige handelwijze voor het bepalen van het MMA, nu daarbij is uitgegaan van de uitvoeringsvarianten die de meeste voordelen voor het milieu hebben en van de mitigeerbaarheid van de negatieve milieugevolgen. Het voorkeursalternatief is gebaseerd op het MMA. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat andere alternatieven onvoldoende zijn bezien en naar een bepaalde uitvoeringsvariant is toegeschreven.

Dat de raad op 27 maart 2003 reeds vóór het vaststellen van de definitieve versie van het MER een besluit over de ligging van de spoortunnel heeft genomen met als gevolg dat de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel zullen moeten worden gesloopt, maakt niet dat het MER onzorgvuldig is opgesteld en niet voldoet aan de eisen die de Wet milieubeheer aan een MER stelt. Hetgeen [appellanten sub 4] aanvoeren, geeft geen grond voor het oordeel dat de raad het besluit tot vaststelling van het plan niet mede op het MER heeft kunnen baseren dan wel ten tijde van het nemen van dit besluit tot een andere keuze had moeten komen. Verweerder hoefde hierin dan ook geen aanleiding te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Omvang van de ontwikkelingen

2.9. [appellant sub 5] voert aan dat de aard en omvang van de beoogde ontwikkelingen onvoldoende zijn bepaald, omdat in de artikelen 3, 4, 5 en 7 van de planvoorschriften niet voor alle doeleinden maximale bruto vloeroppervlakten zijn vastgesteld en geen onderscheid wordt gemaakt in de verschillende functies.

2.9.1. De gronden in het plangebied zijn grotendeels bestemd als "Woondoeleinden (W)", "Gemengde doeleinden I (GD I)", "Gemengde doeleinden II (GD II)" en "Uit te werken gebied voor wonen (UW)". In onderscheidenlijk de artikelen 3, 4, 5 en 7 van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden binnen deze bestemmingen voor meerdere doeleinden mogen worden gebruikt. In de artikelen 3 en 4 zijn voor de meeste doeleinden maximale bruto vloeroppervlakten gesteld. In artikel 5 zijn voor de daarin genoemde doeleinden geen maximale bruto vloeroppervlakten gesteld, maar is bepaald dat detailhandel en dienstverlening, kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen op deze gronden alleen tot en met de eerste bouwlaag zijn toegestaan. In artikel 7 "Uit te werken gebied voor wonen (UW)" is onder meer voor de doeleinden gezamenlijk een bruto vloeroppervlakte, de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen en geluidwerende voorzieningen en het bebouwingspercentage bepaald en is ruimte gereserveerd voor water en een ecologische verbindingszone.

2.9.2. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de WRO brengt met zich dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer hoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

2.9.3. Nu in de artikelen 3, 4, en 5 van de planvoorschriften de doeleinden zijn genoemd waarvoor de gronden binnen een bestemming mogen worden gebruikt, is voldoende duidelijk wat de aard van de ontwikkelingen zal kunnen zijn. Voorts wordt overwogen dat de omvang van de gronden waarvoor deze bestemmingen gelden op de plankaart reeds ruimtelijk is beperkt. Daarnaast is de omvang van de doeleinden waarvoor deze gronden in hoofdzaak mogen worden gebruikt in de artikelen 3 en 4 voldoende duidelijk beperkt door het opnemen van maximale bruto oppervlakten. De omvang van de in artikel 5 genoemde doeleinden is ook ruimtelijk beperkt en derhalve voldoende duidelijk, nu in artikel 5 is bepaald dat doeleinden mogen plaatsvinden tot een daarin genoemde bouwlaag. De doeleinden in deze artikelen waarvoor geen bruto maximale oppervlakten zijn gesteld, zijn naar het oordeel van de Afdeling anderszins door de plankaart en de planvoorschriften voldoende ruimtelijk beperkt. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat de artikelen 3, 4 en 5 in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid moeten worden geacht.

2.9.4. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Bro 1985 geeft een bestemmingsplan op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied.

Voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval voldoende inzicht is geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van een bepaald gebied is onder meer van belang hoe het desbetreffende gebied is ingericht. Gezien de in artikel 7 van de planvoorschriften genoemde ruimtereserveringen voor een ecologische verbindingszone en water, bebouwingspercentage, bouwhoogte, doeleinden en de daarvoor gestelde gezamenlijke maximale bruto oppervlakte, en aan te houden afstanden, heeft verweerder zich in redelijkheid op het stadpunt kunnen stellen dat in dit geval voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat gebied. De wijze waarop deze gronden uiteindelijk zullen worden ingericht, wordt eerst bij de uitwerking van het plan bepaald.

Verkeersafwikkeling

2.10. [appellanten sub 1] stellen dat de geprognosticeerde verkeersintensiteiten van de reële kunnen afwijken en de autonome groei onjuist is ingeschat. Volgens [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] is ten onrechte rekening gehouden met het LVVP, nu de uitvoering daarvan niet is gewaarborgd. [appellanten sub 1] stellen dat het gebied rond de (Verlengde) Coenderstraat en de Parallelweg onevenredig wordt belast en onvoldoende alternatieven zijn bezien. Volgens [appellant sub 5] is een goede verkeersafwikkeling vanwege het plan niet gewaarborgd, omdat de capaciteiten van de wegen en kruispunten ontoereikend zijn. [appellant sub 9] en anderen (hierna: Woonboulevard e.a.) stellen dat het nieuwe deel van de Engelsestraat en de kruising met de Abtswoudseweg onvoldoende ruimte bieden voor verkeer van en naar de woonboulevard en voor een veilige en goede verkeersafwikkeling. Zij voeren aan dat de spoortunnel ten onrechte niet 5 meter westelijker is voorzien om een bredere weg mogelijk te maken.

2.10.1. Het LVVP, door de raad vastgesteld op 30 juni 2005, is voor de periode 2005-2020 opgesteld. In het LVVP is beleid voor verkeer en vervoer en een nieuwe verkeersstructuur met de te nemen verkeersmaatregelen neergelegd. Het LVVP heeft als doel het afremmen van de groei van de automobiliteit, het oplossen van knelpunten voor het autoverkeer en het opvangen van mobiliteitseffecten van de nieuwe stedelijke ontwikkelingen, waaronder de spoorzone, op de bereikbaarheid van de stad. Voor zover thans van belang is in het LVVP gekozen om de Coenderstraat als wijkontsluitingsweg aan te wijzen en aan te laten sluiten op de Westlandseweg. Op 23 februari 2006 is het LVVP gewijzigd en is de categorie-indeling van twee wegen buiten het plangebied aangepast om de verkeersintensiteit op de (Verlengde) Coenderstraat te beperken en daar een goede milieukwaliteit te kunnen waarborgen.

In het MER en de plantoelichting zijn de verkeersintensiteiten berekend met een verkeersprognosemodel dat voor het LVVP is opgesteld. In het LVVP is per periode van 5 jaar aangegeven welke maatregelen voor het autoverkeer zullen worden genomen. Deze maatregelen per periode zijn in het verkeersmodel meegenomen. Volgens bladzijde 69 van de plantoelichting is bij de verkeersintensiteiten in 2012 ervan uitgegaan dat de (Verlengde) Coenderstraat als wijkontsluitingsweg is ingericht en woningbouw in het zuidelijke deel van het plangebied is gerealiseerd. In de plantoelichting zijn de verkeersintensiteiten in 2020 vermeld in de situaties met autonome groei en zonder LVVP, met LVVP en zonder Spoorzone en met LVVP en Spoorzone. Volgens de plantoelichting is op basis van bestaande inzichten uitgegaan van een autonome groei voor het Delftse wegennet van 1%.

2.10.2. Met betrekking tot de geprognosticeerde verkeersintensiteiten wordt overwogen dat modellen uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de werkelijkheid zijn. De validiteit van een model wordt eerst aangetast wanneer de berekeningen op basis van een model te zeer afwijken van de werkelijkheid. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het in het verkeersmodel ingevoerde percentage van de autonome groei voor de stad Delft van 1% onjuist is, nu zij enkel verwijzen naar de in de Nota Mobiliteit van het Rijk geprognosticeerde groei voor het hóófd- en het onderliggende wegennet. Hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de berekeningen te zeer zullen afwijken van de werkelijkheid.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat de verkeersstructuur en de genoemde verkeersmaatregelen per periode in het LVVP worden uitgevoerd door het aanpassen van andere bestemmingsplannen en deels door het plan. De raad heeft voorts onbestreden gesteld dat met eenvoudige snelheidsbeperkende maatregelen op twee wegen buiten het plangebied de verkeersintensiteit op de (Verlengde) Coenderstraat kan worden verminderd. Onder deze omstandigheden en nu bij de wijziging van het LVVP al een andere categorie-indeling aan deze twee wegen is toegekend, is de uitvoering van het LVVP, voor zover van belang voor het plangebied, voldoende concreet.

Hetgeen [appellant sub 5], [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat de verkeersintensiteiten op onjuiste wijze zijn bepaald.

2.10.3. Op bladzijde 61 van de plantoelichting staat dat het kruispunt van de Westvest met de Zuidwal en de Westlandseweg een knelpunt voor de verkeersafwikkeling en milieukwaliteit vormt en deze problemen zullen toenemen nu ook openbaar vervoer ter plaatse zal komen. Volgens de plantoelichting wordt dit opgelost door het realiseren van de (Verlengde) Coenderstraat die de wijkontsluitingsfunctie van de Westvest overneemt. In de plantoelichting staat dat het niet mogelijk is het verkeer over een andere route te leiden, nu een groot deel ervan aan de binnenstad is gerelateerd.

Anders dan [appellanten sub 1] stellen blijkt uit de plantoelichting dat bij het oplossen van de knelpunten rond de Westlandseweg, de Zuidwal en de Westvest alternatieven zijn bezien. In het LVVP is ervoor gekozen om deze knelpunten op te lossen door de (Verlengde) Coenderstraat als wijkontsluitingsweg aan te wijzen, hetgeen door het plan mogelijk wordt gemaakt. Nu volgens de plantoelichting deze wijzigingen tot een algemene verbetering van de milieukwaliteit en van de verkeersafwikkeling zullen leiden, geeft hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met deze keuze heeft kunnen instemmen.

2.10.4. In het MER is onderzocht of de verschillende wegen na realisatie van het plan het toekomstige aanbod van verkeer kunnen verwerken. In het MER is vermeld dat geen knelpunten zijn te verwachten. Volgens de plantoelichting is de verkeersafwikkeling op de kruispunten maatgevend. In de plantoelichting staat dat de verkeersbestemmingen nabij kruispunten voldoende ruimte bieden om een goede verkeersafwikkeling te waarborgen. Volgens de wijziging van het LVVP bedraagt de verkeersintensiteit op de (Verlengde) Coenderstraat maximaal 15.100 motorvoertuigen per etmaal.

De huidige Engelsestraat loopt vanaf de Abtswoudseweg in zuidelijke richting en loopt na een bocht in oostelijke richting. Als gevolg van het plan zal het deel vanaf de Abtswoudseweg tot de bocht in oostelijke richting worden opgeschoven. De gronden ter plaatse van dit deel van de huidige Engelsestraat zijn vooral bestemd als "Spoorwegdoeleinden I (SI)". De gronden ten oosten hiervan zijn ten behoeve van het nieuwe deel van de Engelsestraat en de gronden ter plaatse van de kruising met de Abtswoudseweg zijn bestemd als "Verkeersdoeleinden". Ter hoogte van de kruising heeft dit plandeel een breedte van 12 tot 17 meter. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, l en o, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de gronden aangewezen voor Verkeersdoeleinden (V) ter plaatse van de Engelsestraat bestemd voor een hoofdrijbaan met ten hoogste 2X1 doorgaande rijstrook en mede bestemd voor voet- en fietspaden.

2.10.5. De Afdeling stelt vast dat op de plankaart ter plaatse van het nieuwe deel van de Engelsestraat na 44 meter ten zuiden vanaf de rand van het kruispunt met de Abtswoudseweg de aanduiding "plangrens" afwijkt van de grens van het bestemmingsvlak van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)". Uitgaande van de plangrens is dit deel van de weg ongeveer 7 meter breed. De raad heeft ter zitting gesteld dat van de grens van het bestemmingvlak moet worden uitgegaan, nu is beoogd om een weg met een minimale breedte van 10 meter aan te leggen. Op de plankaart is evenwel een deel van de beoogde weg met een breedte van 3 meter ten gevolge van de vastgestelde plangrens ter plaatse buiten het plan gelaten. Aan de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", voor zover gelegen buiten de plangrens komt derhalve geen betekenis toe. Het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" na 44 meter ten zuiden vanaf de rand van het kruispunt met de Abtswoudseweg is in zoverre in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

Voorts wordt overwogen dat de breedte van de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" op de eerste 44 meter ten zuiden vanaf de rand van het kruispunt met de Abtswoudseweg ongeveer 10 meter is. Woonboulevard e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze bestemming onvoldoende ruimte biedt voor een rijbaan met 2x1 doorgaande rijstrook en een voet- en fietspad, zoals bepaald in artikel 12 van de planvoorschriften. In het deskundigenbericht staat dat een bredere rijbaan op dit nieuwe deel van de Engelsestraat niet nodig is om de verwachte verkeersintensiteit van 5.711 motorvoertuigen goed te kunnen afwikkelen. Verder is in het deskundigenbericht vermeld dat de kruising ter plaatse van de Engelsestraat en de Abtswoudseweg voldoende ruimte biedt voor vrachtwagens om het nieuwe deel van de Engelsestraat in of uit te kunnen rijden. Hetgeen Woonboulevard e.a. hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan deze bevindingen te twijfelen. Verder wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat een weg met 2x1 doorgaande rijstrook, zoals de te realiseren (Verlengde) Coenderstraat, ongeveer 15.000 tot 20.000 motorvoertuigen per etmaal kan verwerken. Dat door het rechts afslaan van het verkeer vanaf de Zuidwal naar de Westvest de verkeersintensiteit op de (Verlengde) Coenderstraat kan afnemen, geeft geen grond voor het oordeel dat de (Verlengde) Coenderstraat ongeschikt moet worden geacht voor de gekozen functie. Hetgeen [appellant sub 5], Woonboulevard e.a. en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geeft, mede gezien de conclusies in de plantoelichting en het MER, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wegen en de kruispunten in het plangebied in zoverre voldoende capaciteit hebben om het toekomstige aanbod van verkeer te kunnen verwerken en dat het plan voorziet in mogelijkheden voor een goede en veilige verkeersafwikkeling. Onder deze omstandigheden geeft hetgeen Woonboulevard e.a hebben aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het standpunt van de raad dat een verschuiving van de tunnelbak in westelijke richting niet nodig is.

Luchtkwaliteit

2.11. [appellant sub 5], [appellanten sub 1] en [appellanten sub 4] stellen dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan te veel zal verslechteren. Volgens [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] zijn in de onderzoeken ten onrechte de gevolgen van het plan exclusief het LVVP niet bezien en te grote afstanden tot de wegas en een te klein onderzoeksgebied aangehouden. [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] stellen dat het CAR II model niet geschikt is voor de berekening van de concentraties bij het busstation.

2.11.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) wordt of zal worden voldaan. Volgens hem zijn de onderzoeken naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het plan op een deugdelijke wijze uitgevoerd en wordt een representatief beeld gegeven van de luchtkwaliteit in en om het plangebied.

2.11.2. In artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, van het Blk 2005 geldt voor de bescherming van de gezondheid van de mens voor stikstofdioxide (NO2) een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, en een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.11.3. Het Adviesbureau voor ruimtelijk beleid, ontwikkeling en inrichting (hierna: RBOI) en Adviesbureau Witteveen + Bos hebben onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het plan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in "het onderzoek luchtkwaliteit" van 22 februari 2006 en "het geactualiseerd onderzoek luchtkwaliteit" van 21 juni 2006.

In het luchtkwaliteitrapport van 22 februari 2006 is uitgegaan van de verkeersintensiteiten zoals berekend met het verkeersmodel dat is opgesteld voor het LVVP en is rekening gehouden met het LVVP.

In het luchtkwaliteitrapport van 21 juni 2006 zijn de uitgangspunten van de berekeningen zoals beschreven in het eerdere onderzoek ongewijzigd gehanteerd. Volgens het rapport wordt in de autonome situatie de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide (NO2) in 2010 bij drie wegen met ten hoogste 7 µg/m3 en in 2015 bij twee wegen met ten hoogste 2 µg/m3 overschreden. In het rapport staat dat bij uitvoering van het plan alleen de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide (NO2) in 2010/2012 nog bij twee wegen met ten hoogste 3 µg/m3 wordt overschreden en dat in 2015 geen overschrijding meer plaatsvindt, zodat het plan de concentratie bij deze wegen vermindert. In het rapport is vermeld dat in de autonome situatie en na uitvoering van het plan aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) kan worden voldaan. Gezien de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide (NO2) zal de grenswaarde van de uurgemiddelde concentratie in het plangebied nergens worden overschreden.

2.11.4. Hetgeen [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het LVVP ten onrechte of op onjuiste wijze is betrokken in de luchtkwaliteitrapporten. Daarbij wordt overwogen dat bij de wegen óm het plangebied in de autonome situatie van het LVVP is uitgegaan. [appellant sub 5] heeft niet bestreden dat de gevolgen van het LVVP tot uiting zullen komen in de achtergrondconcentraties in 2010/2012 en 2015 bij deze wegen. Voorts wordt in het LVVP een representatief beeld gegeven van de toekomstige verkeersstructuur op deze wegen. De raad heeft ter zitting gesteld dat bij de wegen in het plangebied in de autonome situatie niet van de uitvoering van het LVVP is uitgegaan, maar na realisering van het plan wel, omdat eerst dan de uitvoering van het LVVP binnen het plangebied feitelijk mogelijk zal zijn. Nu met het plan de uitvoering van het LVVP deels mogelijk wordt gemaakt, is het niet onjuist om het LVVP bij de berekening van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te betrekken. In tegenstelling tot wat [appellant sub 5] stelt, is daarbij van de geprognosticeerde verkeersintensiteiten van de wijziging van het LVVP uitgegaan.

[appellanten sub 4] en [appellant sub 5] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de luchtkwaliteitrapporten zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Daarbij wordt betrokken dat in het deskundigenbericht staat dat het plan naar verwachting bij andere wegen dan de onderzochte wegen buiten het plangebied niet tot hogere verkeersintensiteiten zal leiden, zodat daarvan geen relevante invloed op de concentraties van de stoffen zal uitgaan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen reden om aan de juistheid van het deskundigenbericht op dit punt te twijfelen, zodat de omvang van het onderzoeksgebied representatief kan worden geacht. Voorts wordt overwogen dat bij het bepalen van de immissiepunten rekening is gehouden met de breedte van de wegen. Voor zover de Phoenixstraat en de Spoorsingel in het luchtkwaliteitrapport zijn gemodelleerd als één weg in plaats van twee wegen, hebben [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat de berekende concentraties bij deze wegen, indien ze als twee afzonderlijke wegen worden ingevoerd, na realisering van het plan de grenswaarden van het Blk 2005 zullen overschrijden. Verder geeft hetgeen [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de meetpunten en de daarbij berekende concentraties bij de overige wegen niet representatief zouden zijn. Met betrekking tot de toepassing van het CAR II model voor het busstation wordt overwogen dat de validiteit van een model eerst wordt aangetast wanneer de berekeningen op basis van een model te zeer van de werkelijkheid afwijken. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in dit geval voordoet.

2.11.5. Nu uit het voorgaande volgt dat verweerder zich op de uitgebrachte luchtkwaliteitrapporten heeft mogen baseren en het luchtkwaliteitrapport van 21 juni 2006 - zoals onder 2.11.3. weergegeven - als uitkomst heeft dat ook na de realisering van het plan kan worden voldaan aan de voor zwevende deeltjes (PM10) geldende grenswaarden en de concentratie stikstofdioxide (NO2) als gevolg van het plan per saldo verbetert als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005, staat het Blk 2005 niet aan goedkeuring van het plan in de weg.

2.11.6. [appellant sub 5] betoogt voorts dat artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 er niet in voorziet dat bij de toepassing van deze bepaling rekening wordt gehouden met de positieve gevolgen van andere maatregelen, zoals de maatregelen die uit het LVVP voortvloeien. Daar waar in deze bepaling wordt gesproken over de "uitoefening van bevoegdheden" wordt volgens [appellant sub 5] louter gedoeld op de bevoegdheid tot vaststelling en goedkeuring van het bestemmingsplan.

Dit betoog faalt. Nu het plan er mede op is gericht de realisering van het door de raad vastgestelde LVVP mogelijk te maken ter verbetering van de leefbaarheid in de binnenstad van Delft en de uit het LVVP voortvloeiende gevolgen voor de verkeersafwikkeling binnen het gebied onlosmakelijk met dit plan zijn verbonden, is sprake van de uitoefening van een samenstel van bevoegdheden, ten gevolge waarvan de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005.

2.11.7. [appellant sub 5] betoogt tot slot dat de lidstaten, inclusief de lagere overheden, op grond van artikel 8, derde lid, van richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (hierna: de richtlijn) verplicht zijn maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen de daarvoor gestelde termijn aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Deze verplichting brengt volgens [appellant sub 5] met zich dat in een gebied waarin een toepasselijke grenswaarde wordt overschreden, zoals in het onderhavige plangebied, het niet afdoende is dat een plan leidt tot een vermindering van de concentratie van de betrokken stof. Verweerder had dan ook goedkeuring aan het plan moeten onthouden, nu de geldende grenswaarde blijvend wordt overschreden, aldus [appellant sub 5]

Ook dit betoog faalt. Het plan strekt ertoe een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wenselijk geachte stedenbouwkundige ontwikkeling mogelijk te maken en het is als zodanig geen maatregel als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de richtlijn. Nu het plan er niet aan in de weg staat dat door de betrokken autoriteiten maatregelen worden getroffen om deze concentratie zodanig te verminderen dat overschrijding van de grenswaarde in 2010/2012 wordt voorkomen, bestond er voor verweerder geen verplichting om naar aanleiding van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit goedkeuring daaraan te onthouden.

Geluidhinder

2.12. [appellanten sub 4] stellen dat ten onrechte niet aan de doelstelling van het plan is voldaan om de geluidoverlast te verminderen. [appellant sub 5] stelt dat voor woningen ten onrechte hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld, omdat onduidelijk is of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Volgens [appellant sub 5] is niet onderzocht of voor een goed woon- en leefklimaat in plaats van het verlenen van hogere grenswaarden de bebouwing op grotere afstand van de wegas kon worden gerealiseerd. [appellant sub 5] stelt dat de berekende geluidbelasting bij de woningen onjuist is, nu het geluid vanwege het tramverkeer niet in het akoestisch onderzoek is betrokken.

2.12.1. Het plan voorziet onder meer in nieuwe woningen en nieuwe wegen en in de reconstructie van bestaande wegen. Delen van het plangebied liggen in een geluidzone vanwege een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Op 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. Ingevolge artikel VII van deze wet blijft de Wgh, zoals deze luidde voor 1 januari 2007, hier van toepassing.

2.12.2. Bij besluit van 20 februari 2006 heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Delft voor 7 woningen aan de Spoorsingel 4 tot en met 9 en 24 woningen aan de Parallelweg 1 tot en met 24 hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai.

Bij besluiten van 15 en 20 februari 2006 heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Delft voor onderscheidenlijk 757 nieuw te bouwen woningen in de zones van de Emplacementsweg, Coenderstraat, Papsouwselaan en de Westlandseweg, voor 5 woningen in de zone van de Phoenixstraat en voor 76 nieuw te bouwen woningen in de zone van de Westvest hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai.

Deze besluiten zijn inmiddels in rechte onaantastbaar geworden.

2.12.3. Voor zover [appellant sub 5] bezwaren heeft tegen de besluiten van 15 en 20 februari 2006, staan deze besluiten in deze procedure niet ter beoordeling en zien deze bezwaren niet op het plan.

Nu deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden, moet van de hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting worden uitgegaan. Wel moet worden onderzocht of de vastgestelde hogere waarden kunnen worden nageleefd. In het rapport "Akoestisch onderzoek Spoorzone Delft" van DHV Ruimte en Mobiliteit B.V. uit januari 2006 staat dat de hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai kunnen worden nageleefd. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. In dat verband wordt overwogen dat de hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting zien op wegverkeerslawaai en niet op tramverkeerlawaai en de geluidbelasting vanwege het tramverkeer derhalve bij de naleefbaarheid van deze hogere waarden geen rol kan spelen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd is met de Wgh.

2.12.4. [appellant sub 5] stelt ook dat in verband met de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai in plaats van het vaststellen van hogere waarden grotere afstanden tussen de bebouwing en de wegen hadden kunnen worden aangehouden. Nu de Wgh uitdrukkelijk de mogelijkheid tot het vaststellen van hogere waarden biedt en gezien het gegeven dat het hier een stedelijke omgeving betreft, heeft de raad er op goede gronden voor kunnen kiezen om in dit geval hogere waarden aanvaardbaar te achten. Verweerder heeft in redelijkheid met deze keuze kunnen instemmen.

2.12.5. In verband met het plan is ook de geluidbelasting vanwege het tramverkeer en de cumulatieve geluidbelasting vanwege het auto-, bus- en tramverkeer berekend. De resultaten van deze berekeningen zijn als bijlage behorende bij het plan opgenomen. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze resultaten onjuistheden bevatten of leemten in kennis vertonen. Op grond van deze resultaten heeft de raad in redelijkheid de geluidbelasting vanwege het tramverkeerslawaai aanvaardbaar en de toename van de geluidbelasting als gevolg van de cumulatie van het auto-, bus- en tramverkeer ten opzichte van de vastgestelde hogere waarden vanwege het wegverkeerslawaai beperkt kunnen achten. De raad stelt zich op grond van deze berekeningen op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Mede gezien de stedelijke omgeving geeft hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met dit standpunt heeft kunnen instemmen.

2.12.6. Uit bladzijden 114 en 119 van de plantoelichting volgt dat als gevolg van het plan in het algemeen in het gehele plangebied een lagere geluidbelasting ten opzichte van de bestaande situatie optreedt. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat aan de doelstelling van het plan om de geluidbelasting te verminderen, is voldaan.

Parkeren

2.13. [appellant sub 5] en [appellant sub 2] en anderen stellen dat het plan in te weinig parkeervoorzieningen voorziet, onder meer op de Engelsestraat. [appellant sub 5] voert in dat verband aan dat geen rekening is gehouden met parkeerplaatsen voor bezoekers van de binnenstad. [appellanten sub 4] stellen dat halfondergrondse parkeervoorzieningen en dichte plinten van woningen de leefbaarheid van het stationsgebied negatief zullen beïnvloeden.

2.13.1. Verweerder stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het plan voorziet in de te verwachten parkeerbehoefte. Daarbij wordt erop gewezen dat voor bezoekers van de binnenstad de Zuidpoortgarage met 1.000 parkeerplaatsen ter beschikking staat.

2.13.2. In het "Parkeeradvies Verlegde Engelsestraat" zijn de resultaten van een parkeeronderzoek in december 2005 neergelegd (hierna: het parkeeradvies). Volgens dit parkeeradvies is de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen langs de Engelsestraat ongeveer 50% en zal de toekomstige parkeerbehoefte ongeveer 130 parkeerplaatsen bedragen.

Op bladzijde 80 van de plantoelichting staat dat de parkeerbehoefte in het totaal ongeveer 3.226 parkeerplaatsen bedraagt en dat ongeveer 3.434 parkeerplaatsen als gevolg van het plan kunnen worden gerealiseerd. Volgens bladzijde 79 van de plantoelichting zullen in de directe omgeving van de Engelsestraat 130 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, waarvan 110 op de Engelsestraat zelf.

Ingevolge de artikelen 3 tot en met 5, 7, 10 tot en met 13 en 17 zijn de gronden bestemd voor onderscheidenlijk "Woondoeleinden (W)", "Gemengde doeleinden I (GD I)", "Gemende doeleinden II (GD II)", "Uit te weken gebied voor wonen (UW)", "Kantoordoeleinden (K)", "Parkgebied (PG)", "Verkeersdoeleinden (V)", "Verblijfsgebied (VG)" en "Water (W)" mede bestemd voor parkeervoorzieningen.

2.13.3. [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het parkeeradvies voor de Engelsestraat onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. De stelling van [appellant sub 2] dat hun parkeerterrein aan de huidige Engelsestraat meer dan 50% wordt gebruikt, leidt niet tot het oordeel dat in het parkeeradvies geen representatief beeld van de gemiddelde bezettingsgraad van de parkeerplaatsen langs de gehele Engelsestraat is weergegeven.

Voorts heeft [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat voor het bepalen van de parkeerbehoefte in het noorden van het plangebied een nachttelling uit 2002 niet representatief is, nu in dit deel van het plangebied geen nieuwe woningen en kantoren worden ontwikkeld. Verder kunnen bezoekers van de binnenstad parkeren in de buiten het plangebied gelegen Zuidpoortgarage en volgens bladzijde 55 van het MER in de parkeergarage in het midden van het plangebied. [appellant sub 5] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de berekende parkeerbehoefte van 3.224 parkeerplaatsen onjuist is.

In aanmerking genomen dat het plan voorziet in ongeveer 3.400 parkeerplaatsen en de aanleg van parkeerplaatsen en parkeergarages mogelijk maakt, hebben [appellant sub 5] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de bestemmingen onvoldoende ruimte bieden voor de realisering van parkeervoorzieningen. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat in het plan ten onrechte geen minimale en maximale afmetingen voor parkeervoorzieningen zijn gesteld, wordt overwogen dat in de bouwverordening van de gemeente Delft de afmetingen van parkeerplaatsen is geregeld en een aanvraag om een bouwvergunning hieraan wordt getoetst. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor parkeeroverlast niet hoeft te worden gevreesd en de door [appellant sub 5] gewenste regeling niet in het plan hoefde te worden opgenomen.

2.13.4. Met betrekking tot de leefbaarheid in het plangebied wordt het volgende overwogen. Ingevolge de planvoorschriften mogen onder de bebouwing voor kantoor- en woondoeleinden halfverdiepte parkeergarages worden gerealiseerd. Ingevolge de planvoorschriften mogen in een deel van het plangebied deze parkeergarages in de onderste bouwlaag 0,2 meter boven het maaiveld uitsteken. In een ander deel van het plangebied zal de onderste bouwlaag zichtbaar zijn, maar mag ingevolge de planvoorschriften deze bouwlaag voor ten hoogste 50% voor parkeervoorzieningen worden gebruikt. Hiermee wordt voorkomen dat de onderste bouwlaag bij deze gebouwen een dicht geheel vormt. Hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de leefbaarheid in het plangebied niet ernstig door de parkeervoorzieningen wordt aangetast.

Tijdelijke effecten

2.14. De Belangenvereniging stelt dat de parkeergelegenheid ten behoeve van en de bereikbaarheid van woningen en bedrijven ten oosten van het noordelijke deel van het plangebied tijdens de uitvoering van het plan niet dan wel onvoldoende in de belangenafweging zijn betrokken.

2.14.1. Het noordelijke deel van het plangebied loopt van t' Haantje in het noorden tot het Bolwerk waarvandaan de Buitenwatersloot loopt. In het midden ervan ligt de Kampveldweg. De door de Belangenvereniging bedoelde woningen en bedrijven staan met name aan de Voorstraat, de Kolk, het Noordeinde en ten noorden van de Oude Kerk. Deze straten liggen op ten minste 150 meter afstand van het noordelijke deel van het plangebied.

In het themadocument "Tijdelijke effecten" van het MER is ingegaan op de tijdelijke effecten van de realisering van het plan. Volgens het themadocument zal de uitvoering van het plan gefaseerd plaatsvinden, waarbij wordt beoogd de hinder tot een minimum te beperken. Hierin worden de volgende uitgangspunten voor het noorden van het plangebied gehanteerd: op de Phoenixstraat blijft minimaal één rijstrook voor wegverkeer beschikbaar, de Spoorsingel wordt mogelijk als omleidingsroute voor verkeer in zuidelijke richting gebruikt, het Bolwerk en Buitenwatersloot worden niet tegelijk met de Kampveldweg afgesloten, de parkeergarages in de Phoenixstraat en van het Hoogheemraadschap blijven bereikbaar en de parkeervoorzieningen onder het spoorviaduct worden zoveel mogelijk beschikbaar gehouden.

2.14.2. Voorop wordt gesteld dat de bezwaren van de Bewonersvereniging betrekking hebben op een uitvoeringsaspect. Uit het themadocument van het MER volgt dat de gevolgen van de uitvoering van het plan zijn onderzocht. Ter zitting heeft de raad gesteld dat tijdens de werkzaamheden een rijbaan met twee rijstroken op de Phoenixstraat voor wegverkeer beschikbaar zal blijven. Onder deze omstandigheden en gezien de in het themadocument genoemde uitgangspunten voor de parkeergelegenheid en de bereikbaarheid en de afstand van de woningen en bedrijven tot het plangebied heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van de werkzaamheden in het noordelijk deel van het plangebied voor de Belangenvereniging voldoende kunnen worden beperkt.

Flora en fauna

2.15. [appellant sub 5] stelt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor de flora en fauna, nu van verouderde veldbezoeken uit 2002 is uitgegaan die niet representatief kunnen worden geacht. [appellant sub 5] betoogt dat onduidelijk is of ontheffing krachtens de Flora- en faunawet kan worden verleend. [appellanten sub 4] stellen dat de flora en fauna in de tuinen van de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel ten onrechte niet zijn onderzocht.

2.15.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.15.2. In het themadocument "Ecologie" in het MER zijn onder meer de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen voor de flora en fauna neergelegd. Volgens het MER zijn in een deel van het plangebied ten westen van het spoor en ten zuiden van de Westlandseweg groeiplaatsen van bijzondere muurplanten aangetroffen, maar heeft het overige deel, waaronder de achtertuinen van huizen, een beperkte floristische betekenis. Volgens het MER komen ook kleine zoogdieren, amfibieën en vleermuizen voor en broeden in stedelijk gebied voorkomende vogelsoorten en de braamsluiper in het plangebied. In het MER staat dat als gevolg van het plan leefgebied van kleine zoogdieren verloren zal gaan.

Volgens de plantoelichting geldt voor de meeste soorten een vrijstelling en komt de instandhouding van deze soorten niet in gevaar. In de plantoelichting staat dat de sloop- en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden en voor vleermuizen mitigerende maatregelen in de vorm van nieuwe verblijfplaatsen zullen worden getroffen.

2.15.3. Het bestreden besluit is onder meer gebaseerd op het MER. In het deskundigenbericht staat dat de kans klein is dat andere dan in het MER genoemde soorten worden aangetroffen, omdat het een stedelijk gebied betreft waarin in ecologisch opzicht weinig veranderingen hebben plaatsgevonden. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze aanname onjuist is en dat niet meer van onderzoeken uit 2002 kan worden uitgegaan. Voorts hebben [appellanten sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat het in het MER verrichte onderzoek niet representatief zou zijn voor de ecologische waarden in de achtertuinen aan de Van Leeuwenhoeksingel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de soorten in het plangebied een vrijstelling geldt of ontheffing kan worden verleend, omdat de instandhouding van de soorten niet in gevaar komt. Gezien de plantoelichting en nu mitigerende maatregelen zullen worden getroffen om verstoring van vogels en vleermuizen te beperken, geeft hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

Stedelijke kwaliteit

2.16. [appellanten sub 4], [appellanten sub 3] en [appellanten sub 1] voeren aan dat de toegestane hoogte van de nieuwbouw in het midden van het plangebied niet acceptabel is en de toegestane hoogte en de structuur niet aansluiten op de omgeving. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] stellen dat het stadskantoor en het station te omvangrijk zijn in relatie tot de omgeving en in strijd zijn met de uitgangspunten voor structuur en korrelgrootte voor bebouwing. [appellanten sub 3] stellen dat door het plan bij hun woning schaduwhinder zal optreden en de lichtinval zal afnemen.

2.16.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stedelijke kwaliteit van de nieuwbouw goed aansluit op de omgeving en past bij de schaal en uitstraling van het stationsgebied en de binnenstad. Volgens verweerder ontstaat door de variërende bouwhoogten van 3 tot 5 bouwlagen met een schuine kap en hoogteaccenten een levendig, wisselend straatbeeld.

De raad stelt zich op het standpunt dat de variatie in bouwhoogten en de bouwblokstructuur van de nieuwe bebouwing aanleiding geeft om aan te sluiten bij de korrelstructuur en variatie in gevelbeeld van de omliggende bebouwing. Volgens de raad past een hogere bouwhoogte dan de omliggende bebouwing bij een stedelijke omgeving als het stationsgebied.

2.16.2. Het midden van het plangebied wordt met name begrensd door de (Verlengde) Coenderstraat in het westen, de Houttuinen en het Bolwerk in het noorden, de Westvest in het oosten en de Westlandseweg in het zuiden. Deze gronden zijn voorzien van de aanduiding "nieuw maaiveld". Ingevolge artikel 1, onder 46, wordt onder peil verstaan NAP of ter plaatse van de aanduiding "nieuw maaiveld" +1,6 meter NAP.

De Westvest is alleen aan de oostzijde bebouwd met enigszins vrijstaande bebouwing met overwegend een bouwhoogte van 16 tot 18 meter. De historische gebouwen ter plaatse hebben twee bouwlagen met een kap en de andere bebouwing bestaat overwegend uit vijf bouwlagen. De afstand tussen de bestaande en de nieuwe bebouwing aan de Westvest is ongeveer 50 meter. De (Verlengde) Coenderstraat vormt de overgang naar het ten westen ervan gelegen Westerkwartier. Langs de Coenderstraat staan aaneengesloten woningen van twee bouwlagen met kap of drie bouwlagen met een bouwhoogte van ongeveer 10 meter. In het Westerkwartier is de bouwhoogte overwegend 10 tot 15 meter. De afstand tussen de bestaande en de nieuwe bebouwing aan de Coenderstraat varieert van 22 tot 26 meter.

In het midden van het plangebied zijn de gronden grotendeels bestemd als "Woondoeleinden (W)", "Gemengde doeleinden I (GD I)" en "Kantoordoeleinden" en onder meer voorzien van de aanduiding "h" met een cijfer erachter. In artikel 27 van de planvoorschriften zijn voor de gronden met de aanduiding "h" met een cijfer erachter verschillende bouw- en goothoogten vanaf het peil opgenomen. Ook mogen ingevolge dit artikel bij nader aangeduide gronden voor een hierin genoemd percentage van het bouwvlak hogere goothoogten worden aangehouden, zodat hoogteaccenten ontstaan. De toegestane goothoogten, de hoogteaccenten inbegrepen, variëren voor de gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" van maximaal 9,8 tot 24,2 meter en voor de gronden met de bestemming "Kantoordoeleinden" van maximaal 18,2 tot 27 meter. Ingevolge artikel 27 mogen de goothoogten uitsluitend worden overschreden door hellende dakvlakken met ten hoogste 4 meter. Ingevolge artikel 4 zijn de gronden aangewezen voor Gemengde doeleinden I (GD I) onder meer bestemd voor een station met een bruto vloeroppervlakte van 3.700 m2 en maatschappelijke voorzieningen en kantoren, waaronder een stadskantoor, met een bruto vloeroppervlakte van samen 29.000 m2. Op deze gronden gelden maximale bouwhoogten van 13,4 en 21,4 meter.

2.16.3. In artikel 4 van de planvoorschriften zijn de omvang en de hoogte van het station en het stadskantoor vastgelegd. Ingevolge het plan en mede gezien het deskundigenbericht mogen het station en het stadskantoor maximaal 23 meter boven NAP hoog worden. Op grond van het plan mogen de nieuwe woonbebouwing maximaal ongeveer 5 meter hoger en de bebouwing voor het station en het stadskantoor maximaal ongeveer 4 tot 6 meter hoger worden dan de bestaande bebouwing met een hoogte van 16 tot 18 meter aan de Westvest. Ten opzichte van de bestaande bebouwing van 10 meter aan de Coenderstraat mogen de nieuwe woonbebouwing en het station en het stadskantoor maximaal 13 meter hoger worden. Verweerder heeft in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat tussen de Coenderstraat en de nieuwe bebouwing stroken van ongeveer 6 meter breed zijn voorzien waarbinnen een minder hoge bouwhoogte is toegstaan, zodat in een overgang is voorzien. Verder wordt overwogen dat de bouwhoogten binnen het middengedeelte van het plangebied op elkaar en op de daarin voorziene bestemmingen zijn afgestemd. Voorts heeft de omliggende bebouwing aan de Westvest en de Coenderstraat ook variërende bouwhoogten en heeft het Westerkwartier tevens een bouwblokstructuur. Aan de Westlandseweg mogen middelhoge kantoorgebouwen komen. Voor zover de omvang van de bebouwing van het station en het stadskantoor groter mag worden dan de bebouwing in de omgeving en daarmee zou zijn afgeweken van de uitgangspunten over structuur en korrelgrootte van de bebouwing, heeft verweerder betekenis mogen toekennen aan de openbare functies en de herkenbaarheid van deze gebouwen in de omgeving. Onder deze omstandigheden en nu het hier om een centrumgebied met station gaat en gezien de afstanden tussen de nieuwe bebouwing en de bebouwing aan de Coenderstraat en de Westvest, geeft hetgeen [appellanten sub 4], [appellanten sub 3] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het karakter van de omgeving en de stedenbouwkundige kwaliteit door de realisering van de nieuwe bebouwing niet overmatig zullen worden aangetast.

2.16.4. [appellanten sub 3] wonen in een appartementencomplex aan de Westvest […] tot en met […] tegenover de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden I (GDI)" waarvoor een maximale bouwhoogte van 23 meter NAP geldt. In het rapport "Bezonningsstudie spoorzone" van RBOI van 31 januari 2006 zijn de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen voor de bezonning voor de woningen aan de Westvest neergelegd. In dit rapport staat dat bij deze woningen in het voorjaar, najaar en de winter in de namiddag schaduwhinder zal optreden, maar dat dit voor een groot deel van de dag niet het geval zal zijn.

Verweerder heeft het bezonningsrapport aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van 31 januari 2006 onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. Nu uit dit rapport volgt dat ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 3] voor een groot deel van de dag in het merendeel van het jaar geen of alleen in de namiddag schaduwhinder zal optreden, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vermindering van de lichtinval en de als gevolg daarvan optredende schaduwhinder niet ernstig zullen zijn.

Woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel

2.17. [appellanten sub 4] voeren aan dat onvoldoende is aangetoond dat de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel niet kunnen worden ingepast in de stedelijke herontwikkeling. Volgens [appellanten sub 4] hebben deze woningen cultuurhistorische en architectonische waarden en voorzien ze in een bijzondere behoefte voor woongroepen. Volgens [appellanten sub 4] is het besluit tot de sloop voor deze woningen onrechtmatig genomen en alleen ingegeven vanuit financiële overwegingen en in strijd met de rijksnota "Belvedère" en het concept van de gemeentelijke Monumentennota 2007-2017.

2.17.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de sloop van de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel nodig is om de spoortunnel te kunnen aanleggen. Volgens hem zijn deze woningen niet op een aanvaardbare wijze in te passen in de stedelijke herontwikkeling. Daarbij acht verweerder mede van belang dat deze woningen niet zijn aangewezen als rijksmonument.

De raad stelt zich op het standpunt dat het behoud van de woningen tot verschuiving van de spoortunnel zou leiden, hetgeen vanuit technisch en ruimtelijk oogpunt bezwaren oplevert.

2.17.2. [appellanten sub 4] wonen aan de [locatie sub 4]. Deze gronden zijn in het plan bestemd als "Spoorwegdoeleinden II (SII)", "Parkgebied (PG)" en "Woondoeleinden (W)". Voor de realisering van het plan moeten de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel worden gesloopt.

In paragraaf 3.5.3 van het MER is ingegaan op de stedelijke herontwikkeling. Op bladzijde 40 van het MER staat dat behoud van de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel een beperking oplevert van de mogelijkheden voor het plaatsen van nieuwe woningen en kantoren en van invloed is op het bouwvolume van de woningen en kantoren. Volgens paragraaf 6.1 zal de nieuwe bebouwing met name woningbouw betreffen, omdat er in Delft een structureel woningtekort is.

Volgens bladzijde 91 van de plantoelichting zijn de panden aan de Van Leeuwenhoeksingel representatief voor de bouwkunst uit de periode 1850-1940 en daarom meegenomen in het Monumenten Inventarisatie Programma (MIP), maar zijn ze in het Monumenten Selectie Project (hierna: MSP) niet geselecteerd als rijksmonument. De woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel zijn niet aangewezen als beschermd stadsgezicht.

2.17.3. Met betrekking tot de strijd met de rijksnota Belvedère wordt overwogen dat de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel in deze Nota noch op grond van het MPS als beschermd stadsgezicht zijn aangewezen en daarom geen bijzondere status hebben. De Monumentennota 2007-2017 is inmiddels door de raad op 22 februari 2007 vastgesteld. Afgezien van het feit dat ten tijde van het bestreden besluit de Monumentennota nog niet was vastgesteld, is volgens de Monumentennota het plangebied vanwege de voorziene ontwikkelingen buiten het nader onderzoek naar waardevolle cultuurhistorische gebieden gelaten. Hieruit kan worden afgeleid dat deze gebieden in het plangebied in de Monumentennota niet zijn aangemerkt als beschermingswaardig. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met de rijksnota Belvedère en de Monumentennota van de gemeente Delft. Dat de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel representatief zijn voor de bouwkunst van 1850 tot 1940 is op zich juist, maar niet van zodanig gewicht dat zij daarom onder de gegeven omstandigheden behouden moeten blijven. Verweerder heeft er daarbij betekenis aan mogen hechten dat het belang van de volkshuisvesting met de sloop van de woningen niet is geschaad, nu in het plan is voorzien in nieuwe woningen. Voorts heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het behoud van de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel een beperking voor de stedelijke herontwikkeling oplevert. Uit de plantoelichting volgt dat het behoud van deze woningen de financiële uitvoerbaarheid van het plan kan beïnvloeden, omdat ervan is uitgegaan dat de opbrengsten uit de verkoop van de gronden terug zullen vloeien in het project. Onder deze omstandigheden en gezien de door de raad gestelde technische gevolgen bij een verschuiving van de spoortunnel, geeft hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woningen aan de Van Leeuwenhoeksingel niet passen binnen de ontwikkeling van de spoortunnel en de stedelijke herontwikkeling.

Woonboulevard Leeuwenstein

2.18. Woonboulevard e.a. voeren aan dat de gronden in hun eigendom ten onrechte een andere bestemming hebben gekregen dan onder het vorige plan en dat het plan niet kan worden uitgevoerd omdat deze gronden niet in eigendom zijn van de gemeente. Verder voeren zij aan dat onduidelijkheid bestaat over de ontsluiting van en de parkeervoorzieningen bij de woonboulevard tijdens de realisering van het plan.

2.18.1. De gronden waarop de woonboulevard ligt, worden thans begrensd door de Abtswoudseweg in het noorden, de Engelsestraat in het westen en het zuiden en de Schieweg in het oosten en doorsneden door de Leeuwenstein. Naast de Engelsestraat loopt het huidige tracé van het spoor.

Het plan voorziet in de verplaatsing van een deel van de Engelsestraat in oostelijke richting. De gronden voor het nieuwe deel van de Engelsestraat zijn bestemd als "Verkeersdoeleinden (V)". Voor de realisering van de nieuwe Engelsestraat zijn gronden ten westen van en een deel van een parkeerterrein met een oppervlakte van 164 m2 bij de woonboulevard in het plan opgenomen. Voor het overige liggen de gronden waarop de woonboulevard ligt buiten het plangebied en zijn deze ingevolge het bestemmingsplan "Schieoevers Noord en Zuid" bestemd als "Bedrijven".

2.18.2. Overwogen wordt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Dat de gronden niet in eigendom van de gemeente zijn, maakt niet dat daarvoor geen andere bestemmingen kunnen worden opgelegd. Uit de stukken blijkt dat de raad tot aankoop of onteigening van de gronden zal overgaan, zodat de uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Als gevolg van het plan komt de nieuwe Engelsestraat direct langs de bebouwing van Woonboulevard e.a. te liggen. Voor de realisering van de weg hoeft echter geen bebouwing van de woonboulevard te worden gesloopt. Verder zullen als gevolg van het plan parkeerplaatsen op een deel van het parkeerterrein aan de huidige Engelsestraat verloren gaan. Op het resterende terrein waarop de woonboulevard ligt, is een groot aantal parkeerplaatsen aanwezig. Woonboulevard e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verlies van deze parkeerplaatsen leidt tot parkeerproblemen. Voorts blijven de huidige mogelijkheden, ook tijdens de uitvoering van het plan, bestaan om via de Schieweg en de Leeuwenstein de woonboulevard te bereiken. Onder deze omstandigheden geeft hetgeen de Woonboulevard hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de realisering van de nieuwe bestemmingen ter plaatse dan aan de door Woonboulevard e.a gestelde belangen.

Bedrijf aan de [locatie sub 2]

2.19. [appellant sub 2] voeren aan dat hun bedrijfsvoering wordt belemmerd en uitbreiding van hun bedrijf onmogelijk wordt gemaakt door het verlies aan parkeerplaatsen en de voorziene woningbouw aan de Engelsestraat. Zij kunnen zich niet verenigen met de in het plan gegeven bestemmingen voor delen van gronden die door hen worden gebruikt. Zij voeren verder aan dat de gemeentelijke Nota "Bedrijven en bestemmingsplannen 2003" voor de woningbouw onjuist is toegepast. Volgens hen is voorts hun bedrijf ten onrechte niet opgenomen in het plan, waardoor zij in hun rechtspositie worden geschaad. [appellant sub 2] stellen dat de ontsluiting van hun bedrijf onvoldoende is gegarandeerd en dat hun terrein ten onrechte als werkterrein ten behoeve van de realisering van de spoortunnel zal worden gebruikt. Tot slot is volgens [appellant sub 2] de schade aan hun bedrijf door bodemverschuivingen en veranderingen in de waterstanden als gevolg van het plan niet onderzocht.

2.19.1. [appellant sub 2] exploiteren aan de [locatie sub 2] een groothandel voor centrale verwarming voor woning-, utiliteit- en tuinbouw. Op dit terrein liggen zes parkeerplaatsen voor personenwagens. Aan de westzijde van de bedrijfsbebouwing ligt het bedrijf Ninaber en ten westen van dit bedrijf gebruiken [appellant sub 2] verder een parkeerterrein met 11 parkeerplaatsen voor personenwagens aan de huidige Engelsestraat. Per dag bezoeken 30 tot 40 installatiebedrijven het bedrijf. Ook consumenten bezoeken de showroom. [appellant sub 2] beschikken over vier vrachtwagens. Er vinden regelmatig grote transporten plaats.

De huidige Engelsestraat loopt ook vanaf de Abtswoudseweg in noordelijke richting. Als gevolg van het plan zal de huidige Engelsestraat ten noorden van de Abtswoudseweg in oostelijke richting worden opgeschoven. De gronden waarop de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 2] ligt, zijn niet in het plan opgenomen. Deze gronden komen als gevolg van het plan direct aan het nieuwe deel van de Engelsestraat te liggen. Ten behoeve van dit nieuwe deel van de Engelsestraat zijn de gronden van de parkeerplaats aan de huidige Engelsestraat die door [appellant sub 2] worden gebruikt in het plan bestemd als "Verblijfsgebied (VG)" en voorzien van de aanduiding "(p3)".

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de planvoorschriften zijn de gronden aangewezen voor Verblijfsgebied (VG) onder meer bestemd voor verblijfsgebied ten behoeve van verblijf, verplaatsing en gebruik voor de aangrenzende bestemmingen en parkeervoorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "(p3)" in elk geval voor parkeerplaatsen.

2.19.2. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

In hetgeen [appellant sub 2] over het opnemen van hun bedrijf in het plan hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de gronden waarop het bedrijf van [appellant sub 2] ligt in een omgeving met meerdere bedrijven liggen en in het plangebied ter plaatse van dit bedrijf met name woningbouw zal worden ontwikkeld en in zoverre een ruimtelijke samenhang ontbreekt.

2.19.3. Met betrekking tot de parkeerplaatsen van [appellant sub 2] aan de huidige Engelsestraat wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Dat de gronden niet in eigendom zijn van de gemeente maakt niet dat de raad niet kan en mag overgaan tot wijziging van bestemmingen voor die gronden. De raad zal tot aankoop of onteigening van de gronden overgaan, zodat de uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Ondanks dat het plan op de gronden bestemd voor verblijfsgebied parkeervoorzieningen mogelijk maakt, kan niet worden uitgesloten dat het plan zal leiden tot het verlies van de parkeerplaatsen die door [appellant sub 2] worden gebruikt. Het plan beoogt op de [locatie] parkeerplaatsen mogelijk te maken. Het plan voorziet in parkeerplaatsen op een afstand van 60 meter of meer van het kruispunt Abtswoudseweg en de Engelsestraat. Verder zijn op het terrein aan de [locatie sub 2] en ten oosten van de bedrijfsbebouwing parkeerplaatsen aanwezig. [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerplaatsen op het terrein niet voor het laden en lossen kunnen worden gebruikt. Hetgeen [appellant sub 2] hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd door het verlies van de parkeerplaatsen.

2.19.4. Ter zitting heeft de raad gesteld dat tijdens de realisering van het plan de bestemming "Verblijfsgebied" zou kunnen worden gebruikt als werkterrein, maar dat als uitgangspunt geldt dat het bedrijf van [appellant sub 2] bereikbaar moet blijven. [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet aan dit uitgangspunt kan worden voldaan. Voor zover het bedrijf van [appellant sub 2] tijdens de realisering van het plan voor grote vrachtwagens niet meer of slecht bereikbaar zal zijn door de afsluiting van de Engelsestraat wordt overwogen dat deze situatie zich maximaal 1,5 jaar kan voordoen. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de schade als gevolg hiervan kan worden vergoed door het toekennen van nadeelcompensatie op grond van de gemeentelijke nadeelcompensatieverordening. Voorts wordt overwogen dat de Abtswoudseweg na realisering van het plan op de Emplacementsweg zal zijn aangesloten en via deze route de ontsluiting naar het noorden kan plaatsvinden. Onder deze omstandigheden heeft verweerder bij de afweging van de belangen een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met de realisering van het plan zijn gemoeid dan aan de door [appellant sub 2] gestelde belangen.

Voor zover [appellant sub 2] ook hebben aangevoerd dat het plan een mogelijke nadelige invloed op de waarde van hun bedrijf heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Bij de vaststelling van het plan zijn de gevolgen van het plan op de grondwaterstanden en als gevolg daarvan de mogelijkheid op zettingen onderzocht. Voor zover schade optreedt als gevolg van de realisatie van het plan kunnen [appellant sub 2] een verzoek om schadevergoeding op grond van de gemeentelijke nadeelcompensatieverordening indienen.

2.19.5. Aan het nieuwe deel van de Engelsestraat ten westen en tegenover de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 2] is in het plan woningbouw voorzien en zijn de gronden ter plaatse bestemd als "Woondoeleinden (W)". De kortste afstand tussen deze gronden en de bedrijfsbebouwing is ongeveer 17 meter. Aan de noord- en noordoostzijde van de bedrijfsbebouwing is bestaande woonbebouwing aanwezig. De kortste afstand van deze woningen tot het bedrijf bedraagt 10 meter. Ten zuiden van de bedrijfsbebouwing bevinden zich ook woningen aan de Abtswoudseweg. In het bestemmingsplan "Hooikade-Zuideinde" zijn de gronden waarop [appellant sub 2] hun bedrijfsactiviteiten uitvoeren, bestemd voor bedrijven in milieucategorie 3 en voorzien van een bouwvlak.

Het zuidwestelijke deel van de bedrijfsbebouwing wordt gebruikt voor kantoor- en showroommodellen, het noordwestelijke deel als magazijn en de overig delen voor opslag en lichte staalbewerkingen. De ingangen van de bedrijfsbebouwing zijn aan de Abtswoudseweg gesitueerd. In een rapport van Dgmr raadgevende ingenieurs b.v. van 1 juni 2004 zijn de resultaten van een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het bedrijf van [appellant sub 2] neergelegd, waarbij is uitgegaan van werktijden van 6.00 uur tot 22.00 uur. In dit rapport is vermeld dat de voor het bedrijf geldende geluidgrenswaarden bij de woningen op 10 meter ten noorden en noordoosten van de bedrijfsbebouwing niet worden overschreden. Voorts staat in dit rapport dat bij de woningen aan de Abtswoudseweg de grenswaarden voor piekgeluiden door de vrachtwagens en voor de indirecte hinder vanwege het wegverkeer worden overschreden en deze woningen een belemmering vormen voor de activiteiten in de avond- en nachtperiode. In het rapport "Akoestisch onderzoek naar hindercontouren bedrijvenpark Voorhof" van Syncera De Straat van 8 december 2005 is ook de geluidbelasting vanwege het bedrijf berekend. Volgens dit rapport zullen bij de nieuwe woningbouw de voor het bedrijf geldende geluidgrenswaarden voor het piekgeluid in de avond- en nachtperiode worden overschreden, maar kan hieraan met modernere vrachtwagens met een lager bronvermogen tegemoet worden gekomen.

2.19.6. De raad heeft bij het bepalen van de afstanden tussen de woningbouw en het bedrijf van [appellant sub 2] de Nota "Bedrijven en bestemmingsplannen 2003" van Delft (hierna: de Nota bedrijven) toegepast. In de Nota bedrijven worden afstanden aanbevolen tussen bedrijven en milieugevoelige bestemmingen waarbij wordt uitgegaan van een categorie-indeling voor bedrijven en gebiedstypen voor de omgeving. Verder kan volgens de Nota bedrijven in sommige gebiedstypen een vrijstelling van de aanbevolen afstanden tussen bedrijven in milieucategorieën 3.1 en 3.2 en milieugevoelige bestemmingen worden gegeven, indien de bedrijven niet meer milieubelasting op de omgeving veroorzaken dan een categorie-2 activiteit en ze niet schadelijk zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving. Volgens de Nota bedrijven geldt in dat geval geen minimumafstand.

Op grond van de Lijst van Bedrijfstypen behorende bij het plan vallen de activiteiten van [appellant sub 2] onder de milieucategorieën 3.1 en 3.2 van de Nota bedrijven en kan op grond van die nota de omgeving worden gekwalificeerd als woonwijk 1. De in de nota aanbevolen afstanden voor een onder milieucategorie 3.1 en 3.2 vallend bedrijf tot nieuwe milieugevoelige bestemmingen bedragen 30 onderscheidenlijk 50 meter. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek blijkt dat het bedrijf van [appellant sub 2] niet meer milieubelasting veroorzaakt dan een categorie 2-bedrijf. Volgens verweerder kan in dat verband nieuwe woningbouw in afwijking van de aanbevolen afstanden in de Nota bedrijven op een afstand van 17 meter in het plan worden voorzien zonder [appellant sub 2] in hun bedrijfsvoering te belemmeren. Volgens verweerder kan ook binnen de geluidgrenswaarden een uitbreiding van de activiteiten van [appellant sub 2] worden gerealiseerd.

2.19.7. Overwogen wordt dat voor de geluidbelasting vanwege het bedrijf van [appellant sub 2] in dit geval van de bedrijfssituatie moet worden uitgegaan zonder de aanschaf van moderne vrachtwagens met een laag bronvermogen, nu niet zeker is dat deze maatregelen zullen worden getroffen. Uit de akoestische rapporten van 1 juni 2004 en 8 december 2005 volgt dat in het geval met deze maatregelen geen rekening wordt gehouden bij de nieuwe woningen een hoger piekgeluid door de vrachtwagens op het bedrijfsterrein van [appellant sub 2] zal optreden dan de voor het bedrijf geldende grenswaarde. Gezien de ligging van de nieuwe woningen ten opzichte van de bedrijfsbebouwing en de toegang tot het bedrijf is voorts onvoldoende duidelijk of bij deze woningen indirecte geluidhinder kan optreden door het verkeer van en naar het bedrijf van [appellant sub 2] Voorts wordt overwogen dat het bedrijf van [appellant sub 2] reeds in haar bedrijfsvoering en haar uitbreidingsmogelijkheden door de bestaande woningen in het noorden, noordoosten en zuiden wordt beperkt. Dit laat echter onverlet dat niet kan worden uitgesloten dat [appellant sub 2] met inachtneming van deze beperking en uitgaande van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan "Hooikade-Zuideinde" het bedrijf biedt, de bedrijfsvoering aan de westkant anders kan inrichten of uitbreiden. Hiermee heeft verweerder geen rekening gehouden en niet is onderzocht of [appellant sub 2] door de nieuw voorziene woningbouw ten westen van haar bedrijf niet in die mogelijkheden zullen worden beperkt. Zelfs als de huidige berekende geluidbelasting door akoestische maatregelen kan worden beperkt, is onvoldoende duidelijk of bij de nieuwe woningen uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden die [appellant sub 2] op grond van het bestemmingsplan "Hooikade-Zuideinde" hebben nog steeds een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Onduidelijk is derhalve of aan de vereiste voorwaarden voor een vrijstelling op grond van de Nota bedrijven wordt voldaan zonder afbreuk te doen aan de rechten die [appellant sub 2] aan de voor hun gronden geldende bestemming kunnen ontlenen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende onderzocht en op onjuiste gronden gemotiveerd dat een vrijstelling zoals opgenomen in het door de gemeenteraad gevoerde beleid kan worden gegeven. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid genomen en berust op dit punt niet op een voldoende draagkrachtige motivering.

Bedrijven aan de [locaties sub 7 en sub 8]

2.20. De besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "PK Bouw B.V." en [appellant sub 8]" (hierna onderscheidenlijk: PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf) stellen dat de voorziene woningen aan de Industriestraat hun bedrijfsvoeringen onevenredig belemmeren. Volgens hen kan de nieuwbouw niet worden gerealiseerd omdat het plan geen waarborg biedt dat de nodige geluidbeperkende maatregelen zullen worden getroffen. Voor zover in verband met de geluidbelasting nadere eisen bij of krachtens de Wet milieubeheer zijn opgelegd, kan volgens hen van deze nadere eisen niet worden uitgegaan omdat met het instrument nadere eisen niet is beoogd een planologische regeling te treffen.

2.20.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze bedrijven in hun bedrijfsvoering kunnen worden belemmerd als gevolg van de ontwikkelingen zoals voorzien in het plan. Volgens verweerder kan via het stellen van nadere eisen bij of krachtens de Wet milieubeheer de geluidbelasting vanwege de bedrijven tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. Dit is volgens verweerder mogelijk omdat op kortere afstand van de bedrijven reeds bestaande woningen staan waarvoor geluidbeperkende maatregelen moeten worden genomen en deze maatregelen ook ervoor zorgen dat bij de nieuwe woningen de geldende geluidgrenswaarden niet worden overschreden.

2.20.2. PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf exploiteren onderscheidenlijk aan de [locaties sub 7 en sub 8] hun ondernemingen. Hun bedrijven liggen op het bedrijventerrein "Bedrijvenpark Voorhof". Deze gronden maken geen onderdeel uit van het plangebied. Ten noorden en ten oosten van de bedrijven is woningbouw voorzien en zijn de gronden bestemd als "Woondoeleinden (W)". De kortste afstand tussen deze gronden en de gronden van PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf is ongeveer 27 meter en de daarop aanwezige bedrijfsgebouwen ongeveer 29 meter.

In de rapporten "Eindrapportage akoestisch onderzoek naar hindercontouren bedrijvenpark Voorhof" en "Akoestisch onderzoek naar hindercontouren bedrijvenpark Voorhof" van onderscheidenlijk 29 april 2005 en 8 december 2005 zijn de resultaten van het onderzoek naar de geluidbelasting vanwege deze bedrijven neergelegd. Uit deze akoestische rapporten volgt dat de voor de bedrijven geldende geluidnormen uit het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer zonder het treffen van geluidbeperkende maatregelen bij de bestaande en de voorziene woningen worden overschreden en met het treffen van akoestische maatregelen in verband met de bestaande woningen deze waarden bij de voorziene woningen nog steeds worden overschreden. Volgens de akoestische rapporten kunnen de geluidgrenswaarden alleen met aanvullende maatregelen bij de voorziene woningen worden nageleefd.

2.20.3. Ter zitting is gebleken dat de dichtst bij de bedrijven gelegen bestaande woning op een afstand van 64 meter staat. De nieuwe woningen zijn op kortere afstand voorzien. Verweerder is er derhalve ten onrechte vanuit gegaan dat de bestaande woningen op kortere afstand staan dan de voorziene woningen. In zoverre is verweerder uitgegaan van de verkeerde feitelijke situatie. Verweerder heeft zich ook op het standpunt gesteld dat met het treffen van geluidbeperkende maatregelen bij de bestaande woningen bij de nieuwe woningen aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan. In de akoestische rapporten is de geluidbelasting vanwege de bedrijven berekend bij twee bestaande woningen. Daargelaten de vraag of in de akoestische rapporten is uitgegaan van de juiste afstand voor een van de bestaande woningen, blijkt uit deze rapporten dat indien geluidbeperkende maatregelen worden getroffen in verband met de geluidbelasting bij de bestaande woningen de geluidgrenswaarden nog steeds bij de voorziene woningen worden overschreden. Door de voorziene woningen worden de bedrijven meer beperkt dan in de huidige situatie. Verweerder heeft dit niet onderkend en heeft ook onvoldoende inzicht gehad in de af te wegen belangen. In zoverre is het bestreden besluit niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid en berust het niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Voor zover uit het door de raad overgelegde akoestisch rapport van 27 november 2007 zou blijken dat het Aannemersbedrijf bij de voorziene woningen wel aan de voor het bedrijf geldende geluidgrenswaarden kan voldoen, wordt overwogen dat dit rapport met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit rapport is eerst op 7 januari 2008 bij de Afdeling ingekomen en andere partijen hebben niet voldoende gelegenheid gehad hierop te reageren.

Brandstofverkooppunt

2.21. [appellant sub 5] stelt dat het plan ten onrechte niet voorziet in behoud van het brandstofverkooppunt, terwijl het brandstofverkooppunt in het nieuwe wegprofiel van de Coenderstraat kan worden ingepast en voldoet aan de technische en milieueisen. Volgens [appellant sub 5] is onvoldoende onderzoek gedaan naar een verplaatsing van het brandstofverkooppunt, is met het brandstofverkooppunt onvoldoende rekening gehouden en zijn geen reële alternatieven aangeboden.

2.21.1. Verweerder stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat in verband met de verkeersveilige inrichting van de weg en het gewenste beeld van deze weg het brandstofverkooppunt niet is in te passen, nu daardoor onder meer de geplande bebouwing ten zuiden van het Bolwerk niet meer mogelijk zou zijn.

2.21.2. Het brandstofverkooppunt ligt aan de Coenderstraat ter hoogte van nummers […] en […]. Het bestaat uit een overkapt tankstation met een kleine winkel annex kantoor en magazijn. Op een aangrenzend parkeerterrein liggen tanks met de benzine- en dieselvoorraad.

De gronden waarop het brandstofverkooppunt ligt, zijn in het plan grotendeels bestemd als "Verkeersdoeleinden (V)" en voor een zeer klein deel als "Woondoeleinden (W)". In artikel 12 van de planvoorschriften is bepaald dat binnen de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" geen brandstofverkooppunt is toegestaan.

Volgens bladzijde 74 van de plantoelichting wordt de Coenderstraat in verband met de toekomstige functie als wijkontsluitingsweg en voor een betere verkeersafwikkeling verbreed. Op bladzijde 74 van de plantoelichting is de inrichtingsschets van de Coenderstraat aangegeven, waarbij ongeveer 2 meter is toegekend aan groene invulling en is gesteld dat daarnaast nog 3 meter overblijft voor enige aanvullende functies.

2.21.3. De Afdeling stelt voorop dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Bestaand legaal gebruik dient uit een oogpunt van rechtszekerheid in het algemeen dienovereenkomstig te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Bij de bepaling van het gewicht dat aan de gevestigde rechten en belangen moet worden toegekend, dient onder meer een rol te spelen de vraag of het brandstofverkooppunt binnen de planperiode kan worden verplaatst dan wel of een toereikende financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt.

2.21.4. In het plan is uitgebreid ingegaan op de functie van de (Verlengde) Coenderstraat en de nieuwe verkeersstructuur alsmede op de belangen die zijn gediend met de stedelijke herontwikkeling. Gezien de functie is voor de Coenderstraat in het plan uitgegaan van een breedte van ongeveer 22 meter. Alhoewel in het inrichtingsprofiel voor de Coenderstraat nog enige ruimte lijkt te bestaan, heeft [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op de breedte van 3 meter van de weg die is gereserveerd voor aanvullende functies, het brandstofverkooppunt in het wegprofiel kan worden gerealiseerd. Verschuiving van het beoogde woningblok aan de noordzijde van de Coenderstraat zou volgens de raad leiden tot een aantasting van het stadsbeeld en de ruimtelijke kwaliteit. Verweerder heeft in navolging van de raad in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen aan de functie van de (Verlengde) Coenderstraat en de stedelijke herontwikkeling dan aan het ongewijzigde behoud van het brandstofverkooppunt op de huidige locatie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat bij de vaststelling onderscheidenlijk de goedkeuring van het plan is onderzocht of de gevestigde belangen van [appellant sub 5] bij voortzetting van de bedrijfsvoering ter plaatse moeten wijken voor de belangen die zijn gemoeid met de bestemmingswijziging. De belangen van [appellant sub 5] zijn voldoende onderkend en daarmee is voorts voldoende rekening gehouden. De raad heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat het brandstofverkooppunt als gevolg van het plan moet worden verplaatst. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de gemeente de locatie waarop het brandstofverkooppunt ligt, in eigendom heeft en de huurovereenkomst met [appellant sub 5] zal opzeggen. Aannemelijk is dat het brandstofverkooppunt binnen de planperiode zal worden verplaatst. De raad stelt zich op het standpunt dat zij meerdere malen heeft gewezen op andere locaties, maar op dit moment geen alternatieve locatie beschikbaar is. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad voor een bestemming waarbij het bedrijf niet als zodanig wordt bestemd en de bedrijfsvoering onder het overgangsrecht kan worden voortgezet totdat verplaatsing een feit is. De enkele omstandigheid dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen definitieve nieuwe locatie voorhanden is, kan er niet toe leiden dat verweerder niet in redelijkheid ervan uit heeft mogen gaan dat verwezenlijking van de beoogde bestemmingen binnen de planperiode zal plaatsvinden.

Uitvoerbaarheid van het plan

2.22. [appellant sub 5], de Belangenvereniging en [appellanten sub 4] voeren aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd en niet inzichtelijk is gemaakt. Dit is naar hun mening te meer van belang, nu de financiële risico's groot zijn. Volgens [appellant sub 5] is verder onduidelijk of voldoende financiële middelen aanwezig zijn voor de in het uitvoeringsprogramma van het LVVP genoemde geluidbeperkende maatregelen en voor de kosten in het kader van de luchtkwaliteit.

2.22.1. Ten behoeve van het plan is een integrale zogeheten 'business case' opgesteld. De gegevens in deze business case zijn vertrouwelijk. Op bladzijde 152 van de plantoelichting is een kort overzicht gegeven van de publieke bijdragen en is vermeld dat in de business case is voorzien in vergoeding van planschade en nadeelcompensatie. In de plantoelichting is vermeld dat de gemeente Delft overeenkomsten heeft afgesloten met het Rijk en met de private partijen, waarbij is vastgelegd dat vanuit het Rijk subsidie zal worden verleend en met de private partijen een grondprijs voor de te ontwikkelen gronden in het plangebied is overeengekomen. De opbrengsten van deze gronden zullen volgens de plantoelichting volledig in het project worden teruggebracht. Voorts is hierin vermeld dat het financiële risico voor de gemeente Delft aanvaardbaar is. Volgens de plantoelichting zal de gemeente Delft 43 miljoen euro aan het project bijdragen. Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de raad van de gemeente Delft een aanvullend krediet van 22 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onder meer de verwerving van panden op het bedrijventerrein Voorhof-Noord en op het Emplacementterrein.

2.22.2. Er is ten behoeve van het plan onderzoek gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid. De plantoelichting geeft voldoende inzicht in de uitkomsten van dit onderzoek en de elementen die in dit onderzoek zijn betrokken. Mede gezien de afgesloten overeenkomsten geeft hetgeen [appellant sub 5], de Belangenvereniging en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende is verzekerd.

Voor zover [appellanten sub 4] ook stellen dat de spoorverdubbeling als zodanig niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd, is deze stelling juist. Het plan beoogt echter alleen te voorzien in tunnels ten behoeve van het huidige spoor en de mogelijke spoorverdubbeling. [appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de spoortunnels niet binnen de planperiode kunnen worden gerealiseerd.

Eindconclusie

2.23. De conclusie is, zoals overwogen onder 2.19.7 en 2.20.3, dat hetgeen [appellant sub 2], PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de daarop voorziene aanduidingen tegenover het bedrijf van [appellant sub 2] aan de [locatie sub 2] en de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de daarop voorziene aanduidingen in de omgeving van de bedrijven aan de Industriestraat zoals aangegeven op de als bijlage bij deze uitspraak gevoegde kaart, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

Hetgeen Woonboulevard e.a. hebben aangevoerd geeft voorts, zoals overwogen onder 2.10.5, aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" ter plaatse van het nieuwe deel van de Engelsestraat na 44 meter ten zuiden vanaf de rand van het kruispunt met de Abtswoudseweg zoals aangegeven op de als bijlage bij deze uitspraak gevoegde kaart, in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid is. Door dit plandeel goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepen van [appellant sub 2] en Woonboulevard e.a. gedeeltelijk en de beroepen van PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf gegrond zijn. Het bestreden besluit dient, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemde plandelen zoals aangegeven op de als bijlage bij deze uitspraak gevoegde kaart, in zoverre wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en het beginsel van de rechtszekerheid in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd. Ten aanzien van het voornoemde plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" is slechts één te nemen besluit rechtens mogelijk, zodat de Afdeling aanleiding ziet om zelf goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

Hetgeen [appellanten sub 3], [appellant sub 2] en Woonboulevard e.a. voor het overige, [appellanten sub 1], [appellanten sub 4], de Belangenvereniging en [appellant sub 5] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het door hen aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellanten sub 3], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 2] en Woonboulevard e.a. zijn voor het overige en van [appellanten sub 1] [appellanten sub 4], de Belangenvereniging en [appellant sub 5] zijn geheel ongegrond.

2.23.1. Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 2], PK Bouw B.V., het Aannemersbedrijf en Woonboulevard e.a. op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 3], [appellanten sub 1], [appellanten sub 4], de Belangenvereniging en [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden (V)" en "Verblijfsgebied (VG)" ter plaatse van de Westvest;

II. verklaart de beroepen van PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf geheel en de beroepen van [appellant sub 2] en Woonboulevard e.a. gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2911A, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en de daarop voorziene aanduidingen en het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", zoals aangegeven op de als bijlage bij deze uitspraak gevoegde kaart;

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" zoals aangegeven op de als bijlage bij deze uitspraak gevoegde kaart;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 17 oktober 2006;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 5], [appellanten sub 4], de Belangenvereniging geheel en de beroepen van [appellanten sub 3], [appellant sub 2] en de Woonboulevard e.a. voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 2], PK Bouw B.V. en het Aannemersbedrijf in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot, aan ieder van hen afzonderlijk, een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde aan ieder van hen beroepsmatig verleende rechtsbijstand en tot vergoeding van bij Woonboulevard e.a. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderd en tweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; deze bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland onder vermelding van het zaaknummer aan ieder van hen te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellant sub 2], PK Bouw B.V., het Aannemersbedrijf en Woonboulevard e.a. het door ieder van hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen die samen met een van hen beroep hebben ingesteld.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Leurs

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

372.

plankaart