Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200704208/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2004 om aan hem een tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning te weigeren voor het oprichten van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 11 februari 2004 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704208/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaak nr. 06/1922 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders Steenwijkerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2004 om aan hem een tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning te weigeren voor het oprichten van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 11 februari 2004 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 16 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 15 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 2 juli 2007, 4 juli 2007 en 18 oktober 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 25 juli 2007 hebben [partij A] en [partij B], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2008, waar [appellant]n, in persoon en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door J. Huizing, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als belanghebbende gehoord [partij A], in persoon en bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 2 juli 2004 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 2 juli 2004 door [appellant] ingestelde beroep bij uitspraak van 20 mei 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Bij uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2006, in zaak nr. 200505327/1, heeft de Afdeling het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2005 gegrond verklaard en die uitspraak vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 2 juli 2004 in stand zijn gelaten. Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft het college opnieuw op het bezwaar beslist.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het beginsel van hoor en wederhoor geschonden is. [appellant] voert daartoe aan dat tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie foto's zijn getoond die niet van tevoren ter inzage zijn gelegd. Volgens [appellant] heeft hij niet naar behoren op die foto's kunnen reageren, omdat hij zich op het laatste moment door een ander moest laten vertegenwoordigen dan zijn huidige gemachtigde die met de zaak bekend is.

2.2.1. Nu de vertegenwoordiger van [appellant] tijdens de hoorzitting wel heeft kunnen reageren op de foto's, is op toereikende wijze gevolg gegeven aan de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, nadat de Afdeling op 15 februari 2006 uitspraak had gedaan, het geding ten onrechte heeft afgebakend tot de vraag of het college vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) mocht weigeren.

2.3.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 mei 2005 het besluit van het college van 2 juli 2004 vernietigd onder instandlating van de rechtsgevolgen, omdat het college heeft verzuimd de aanvraag om bouwvergunning tevens te zien als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO.

De Afdeling heeft bij voormelde uitspraak van 15 februari 2006 de uitspraak van 20 mei 2005 vernietigd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De Afdeling is in die uitspraak ook op de overige aangevoerde beroepsgronden ingegaan, maar heeft daarin geen grond gezien om die uitspraak overigens te vernietigen.

Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft de rechtbank in de uitspraak van 16 mei 2007 terecht geoordeeld dat het geding is beperkt tot de vraag of het college gehouden was vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO. Het betoog faalt.

2.4. De erfafscheiding is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Giethoorn 1994" (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge het bestemmingsplan rust op het gedeelte van het perceel waarop de erfafscheiding is gebouwd de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde (ALN)".

Ingevolge artikel 19, onder B, van de planvoorschriften mogen op de tot "agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd: andere-bouwwerken - met uitzondering van oeverbeschoeiingen - ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte ten hoogste 2,50 m bedraagt.

2.5. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef, en onder c, onderdeel 2, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, komt, voor zover hier van belang, voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen vrijstelling voor de erfafscheiding heeft verleend als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO.

2.7. Het college heeft zijn nieuwe besluit op bezwaar gebaseerd op beleidsregels voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO van 13 december 2005, die gelden vanaf 1 februari 2006 (hierna: de beleidsregels). Aan de daarin opgenomen voorwaarde dat een erfafscheiding binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht - waarvoor op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken een lichte bouwvergunning is vereist - een bouwwerk moet betreffen als bedoeld in artikel 2 van dat besluit wordt voldaan.

Voorts vermelden de beleidsregels dat duidelijk gemotiveerd dient te worden waarom vrijstelling wordt verleend en wat de noodzaak voor de verlening van de vrijstelling is. Het college heeft ter zitting desgevraagd opgemerkt, dat de noodzaak in relatie moet staan tot de bestemming die op het perceel rust. Aan die uitleg van het begrip noodzaak moet evenwel worden voorbijgegaan nu de beleidsregels niet dwingen tot deze uitleg en die uitleg evenmin strookt met hetgeen op dit punt in het aan het besluit op bezwaar van 2 augustus 2006 ten grondslag gelegde advies van de bezwaarschriftencommissie is vermeld. Hierin staat dat er uit het oogpunt van privacy geen noodzaak meer bestaat de schutting te handhaven, zodat niet is voldaan aan de in de beleidsregels neergelegde eis dat er een noodzaak moet bestaan om de vrijstelling te verlenen.

In relatie tot de door [appellant] gestelde noodzaak van de erfafscheiding in verband met de bescherming van zijn privacy, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de groenvoorziening die ter plaatse is aangeplant ten tijde van het besluit op bezwaar van 2 augustus 2006 zo hoog was, dat zonder de erfafscheiding weinig doorkijk op het perceel te verwachten is vanuit het aangrenzende perceel. Dat de groenvoorziening in de herfst en winter bladeren verliest, hangt samen met de keuze van [appellant] voor het soort groenvoorziening, zodat ook dit betoog niet leidt tot het beoogde doel. De omstandigheid dat, naar [appellant] stelt, de groenvoorziening de erfafscheiding inmiddels aan het zicht onttrekt, waardoor belanghebbenden die hebben geklaagd over de erfafscheiding daarvan geen visuele hinder meer ondervinden, is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in die omstandigheid geen grond hoefde te zien om af te wijken van de beleidsregels.

Anders dan [appellant] betoogt, is de noodzaak evenmin gelegen in de bescherming van zijn eigendom. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn eigendom niet kan worden beschermd met andere middelen dan het oprichten van een erfafscheiding die niet binnen de ter zake geldende planologische voorschriften past.

De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

218-560.