Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0363

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200705739/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van de stichting Stichting Greenpeace Nederland (hierna: Greenpeace) om handhaving ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Urenco Nederland B.V. (hierna: Urenco) voor het zich ontdoen van splijtstoffen in Rusland zonder vergunning, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:1
Kernenergiewet
Kernenergiewet 15
Kernenergiewet 15a
Kernenergiewet 83a
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/128
JM 2008/84 met annotatie van Thijssen
JOM 2008/445
JOM 2008/431
AB 2008, 179

Uitspraak

200705739/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Greenpeace Nederland, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van de stichting Stichting Greenpeace Nederland (hierna: Greenpeace) om handhaving ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Urenco Nederland B.V. (hierna: Urenco) voor het zich ontdoen van splijtstoffen in Rusland zonder vergunning, afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2007 heeft de minister het door Greenpeace hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Greenpeace bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Urenco en Greenpeace hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2008, waar Greenpeace, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en dr. R. Teule, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui, mr. K. Ulmer, mr. ir. H. van Halem en G.B. Breas, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Urenco, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en ir. H. Braam, gehoord.

Bij brieven van 20 en 25 maart 2008 heeft de minister nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

2. Overwegingen

2.1. Aan Urenco is vergunning verleend voor het vervoer en het buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen van onbestraalde verarmde splijtstof in de vorm van uraniumhexafluoride (UF6) met bestemming Rusland. De aanvraag om vergunningverlening en de naar aanleiding hiervan genomen besluiten melden dat de splijtstoffen in Rusland worden verrijkt, waarna het herverrijkte product naar Urenco wordt teruggezonden. De resterende 'dubbel verarmde' splijtstoffen blijven in Rusland.

Greenpeace betoogt dat ook een vergunning is vereist voor het zich ontdoen van splijtstoffen en heeft verzocht om handhaving nu Urenco zich zonder een dergelijke vergunning van splijtstoffen in Rusland ontdoet.

2.2. Urenco betoogt dat het beroep van Greenpeace niet-ontvankelijk is, omdat de verleende vergunning voor het vervoer en het buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen van splijtstoffen, welke vergunning Greenpeace ontoereikend acht, geldig was tot en met 31 december 2007 en Greenpeace gelet hierop geen belang meer heeft bij haar beroep.

Voor de uitvoer naar Rusland is al eerder vergunning verleend. Ter zitting is gebleken dat inmiddels ook opnieuw eenzelfde soort vergunning is verleend aan Urenco voor uitvoer naar Rusland. Aangezien kennelijk wordt beoogd de uitvoer onder een gelijksoortige vergunning voort te zetten, is de Afdeling van oordeel dat Greenpeace nog belang heeft bij beoordeling van haar beroep. Anders dan Urenco stelt is het beroep daarom ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a, van de Kernenergiewet, voor zover hier van belang, is het verboden zich zonder vergunning van splijtstoffen te ontdoen.

Ingevolge artikel 15a van de Kernenergiewet, voor zover hier van belang, zijn de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tezamen bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15.

Ingevolge artikel 83a van de Kernenergiewet, voor zover hier van belang, is met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde artikel 18.7 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

In artikel 18.7, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is het volgende bepaald: "Onze betrokken Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet in gevallen waarin: […] geen ander bestuursorgaan daartoe bevoegd is."

2.3.1. Het besluit van 28 maart 2007 is genomen door de minister. Gelet op artikel 18.7, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 15a van de Kernenergiewet, hadden evenwel de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen het besluit op het verzoek om handhaving van Greenpeace moeten nemen.

Uit de door de minister overgelegde mandaatregeling van 24 februari 2006 blijkt niet dat aan de minister mandaat is verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen dit besluit te nemen. Dat de minister mandaat is verleend om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de Kernenergiewet, voor onder meer het ontdoen van splijtstoffen maakt niet dat de minister ook de bevoegdheid heeft om in mandaat mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een verzoek om handhaving hieromtrent.

2.3.2. Gelet op het bovenstaande is het besluit van 28 maart 2007 onbevoegdelijk genomen. De minister had het tegen dit besluit gerichte bezwaar van Greenpeace derhalve gegrond moeten verklaren en dat besluit moeten herroepen. Nu hij dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in strijd met artikel 18.7, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 15a van de Kernenergiewet, genomen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Bij brief van 25 maart 2008 heeft de minister twee gedektverklaringen ten aanzien van het besluit van 2 juli 2007 opgestuurd, van respectievelijk de minister van Economische Zaken en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij verklaren dat hoewel in de mandaatregeling niet is bepaald dat de minister de bevoegdheid heeft om mede namens de andere betrokken bewindspersonen te beslissen op een verzoek om handhaving, ook deze bevoegdheid is gemandateerd. Verder verzoeken zij de Afdeling zo nodig te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

De Afdeling overweegt dat bovengenoemde verklaringen, die dateren van na het nemen van het bestreden besluit, het bevoegdheidsgebrek niet weg kunnen nemen. Nu de ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid er blijk van hebben gegeven het bestreden besluit te bekrachtigen en hiermee het onbevoegd genomen besluit van 28 maart 2007 mede voor hun rekening te nemen, ziet de Afdeling in het bovengenoemde wel aanleiding te onderzoeken of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

2.5. In de besluiten van 28 maart 2007 en van 2 juli 2007 is vermeld dat geen vergunning is vereist voor het zich ontdoen van splijtstoffen, nu voor de splijtstoffen die worden uitgevoerd gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien.

2.5.1. Greenpeace betwist dat voor de desbetreffende splijtstoffen gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien. Zij voert in dit verband aan dat herverrijking op zichzelf niet als verder gebruik is aan te merken. Bovendien, zo stelt Greenpeace, is er geen bewijs dat de splijtstoffen die worden uitgevoerd ook daadwerkelijk worden verrijkt en dat, zo al sprake is van verrijking, de in Rusland verkregen verrijkte stroom wordt teruggezonden naar Urenco. Tot slot blijft hoe dan ook het overgrote deel van de uitgevoerde stoffen, de 'dubbel verarmde' splijtstoffen, in Rusland achter, zonder dat hier concreet gebruik voor is voorzien.

2.5.2. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Kernenergiewet, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de bij artikel 15 gestelde verboden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen niet gelden met betrekking tot splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 42, derde lid, aanhef en onder b, sub 1, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen geldt het in artikel 15, onder a, van de Kernenergiewet vervatte verbod niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen, indien het betreft een feitelijke levering van splijtstoffen of ertsen door enkele overgave aan een derde met het oog op gebruik, product- of materiaalhergebruik van splijtstoffen of ertsen.

2.5.3. De Afdeling acht, onder verwijzing naar haar uitspraak van heden, nr. 200704127/1, waarin het gaat om een aan Urenco verleende vergunning voor het vervoer en het buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen van onbestraalde verarmde splijtstof in de vorm van uraniumhexafluoride (UF6) met bestemming Rusland, het in de besluiten ingenomen standpunt dat voor de desbetreffende splijtstoffen die worden uitgevoerd gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien niet onjuist. Daarom ziet de Afdeling in hetgeen Greenpeace heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de thans aan de orde zijnde besluiten ten onrechte is gesteld dat geen vergunning is vereist voor het zich ontdoen van splijtstoffen.

2.6. Gelet op het bovenstaande was er geen bevoegdheid handhavend op te treden vanwege het door Urenco zonder vergunning zich ontdoen van splijtstoffen in Rusland.

2.7. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2.8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2007, kenmerk VI/KFD2007058238;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij Stichting Greenpeace Nederland in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden aan Stichting Greenpeace Nederland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij Stichting Greenpeace Nederland in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden aan Stichting Greenpeace Nederland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden aan Stichting Greenpeace Nederland het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hamond

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

446.