Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200705819/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel gelegen tussen de [locatie A en B] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705819/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], [gemeente],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3957 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel gelegen tussen de [locatie A en B] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2008, waar het college, vertegenwoordigd door B.A.P. van de Staak, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Liempde" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "gemengde doeleinden".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als "gemengde doeleinden" aangegeven gronden bestemd voor detailhandelsdoeleinden, horecadoeleinden, kantoordoeleinden en woondoeleinden.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, kan elk van de in lid 1 genoemde functies zich in het gebied nieuw vestigen.

Ingevolge artikel 4, derde lid, onder 3.1 en b, van de planvoorschriften mag het bebouwingspercentage per bouwperceel voor woonpercelen niet meer dan 50 bedragen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan de aaneengesloten bebouwde en/of onbebouwde grond, behorende bij bestaande of op te richten bebouwing.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan heeft geacht, zodat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden. Daartoe voert hij aan dat op de plankaart op het perceel niet de aanduiding 'nieuwbouw toegestaan' is opgenomen. Daarnaast leidt realisering van het bouwplan volgens [appellant] tot een overschrijding van het maximaal toegestane bebouwingspercentage.

2.3.1. Het eerste onderdeel van het betoog van [appellant] berust op artikel 3, derde lid, onder 3.1 en d, van de planvoorschriften waarin is bepaald dat nieuwe woningen niet zijn toegestaan, behalve daar waar op de plankaart de aanduiding 'nieuwbouw toegestaan' is opgenomen. Deze bepaling heeft betrekking op gronden met de bestemming "wonen". Het perceel heeft echter een andere bestemming, te weten "gemengde doeleinden". In artikel 4 van de planvoorschriften, dat op deze laatste bestemming betrekking heeft, zijn geen beperkingen opgenomen als in artikel 3. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de bouw van een woning op het perceel is toegelaten. Van een discrepantie tussen de plankaart en planvoorschriften is derhalve, anders dan [appellant] heeft gesteld, geen sprake. Voorts komt aan het in de plantoelichting gestelde dat nieuwe woningen slechts zijn toegestaan op gronden met de aanduiding 'nieuwbouw toegestaan' geen bindende betekenis toe, nu, gelet op artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, de plantoelichting geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Voor zover [appellant] betoogt dat op de plankaart op het perceel tevens niet de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid voor woning' is opgenomen, geldt daarvoor eveneens dat die aanduiding slechts van toepassing is op gronden met de bestemming "wonen".

2.3.2. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat realisering van het bouwplan niet leidt tot een overschrijding van het maximaal op het perceel toegestane bebouwingspercentage. Anders dan [appellant] stelt, volgt uit onder meer de uitspraak van 20 december 2006 in zaak nr. 200602301/1 dat bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend is waarbij in beginsel wordt uitgegaan van kadastrale percelen. Een wijziging in eigendomsverhoudingen die na de vaststelling van het bestemmingsplan is ontstaan kan van belang zijn voor de vraag of de omvang van het bouwperceel is gewijzigd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het perceel, na de vaststelling van het bestemmingsplan, kadastrale wijzigingen heeft ondergaan en thans niet langer strookt met hetgeen is opgenomen op de plankaart. De oppervlakte van het in geding zijnde bouwperceel bedraagt thans 392 m². Niet in geschil is dat de voorziene woning een oppervlakte heeft van 150 m². Op het perceel is geen andere bebouwing aanwezig. Gelet hierop bedraagt het bebouwingspercentage na realisering van het bouwplan minder dan 50 procent.

Het betoog faalt.

2.3.3. Het bouwplan is niet in strijd met het bestemmingsplan. Gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college gehouden was de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

414-552.