Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200706998/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706998/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/567 van de rechtbank Breda van 20 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 20 december 2006, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, aangetekend verzonden op 27 september 2007 en bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2008, waar [appellant] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P. Ruis, ambtenaar in dienst van de gemeente Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek van [appellant] heeft betrekking op de achterliggende documenten behorende bij een besluit van het college om medewerking te verlenen aan de bouw van vijf woningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). In het bijzonder wenst [appellant] openbaarmaking van documenten waaruit zou blijken dat aan de betrokken wethouder is geadviseerd om op genoemd perceel minder dan vijf woningen te laten bouwen.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 september 2006 heeft het college ten grondslag gelegd dat geen andere documenten bestaan dan reeds aan [appellant] zijn verstrekt.

2.3. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college zijn verzoek om openbaarmaking terecht heeft afgewezen. Hij betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet kan worden gevolgd in het standpunt dat de opgevraagde documenten niet meer bestaan. Bovendien is aannemelijk gemaakt dat deze documenten bij het college berusten, aldus [appellant]. Hij stelt hiertoe dat hij inzage heeft gehad in een notitie uit mei 2004 van een ambtenaar van de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling. Uit dit stuk, dat niet openbaar is gemaakt, volgt volgens [appellant] dat de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling ten aanzien van de bebouwing van het perceel in eerdere adviezen een ander standpunt innam dan in het op 25 oktober 2004 aan het college verstrekte definitieve advies. Voorts stelt hij dat, afgezien van het definitieve advies van 25 oktober 2004, geen documenten uit de periode 16 april 2004 tot 25 oktober 2004 zijn openbaargemaakt, terwijl het niet aannemelijk is dat gedurende die tijd geen relevante documenten zijn opgemaakt.

2.3.1. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701417/1) heeft de rechtbank terecht overwogen dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

2.3.2. Ter zitting heeft het college nader uiteengezet dat aan hem aanvankelijk uitgebrachte ambtelijke adviezen over de verkaveling en bebouwing van het perceel, waarin gesproken werd over 1 à 2 bouwkavels, waren opgeslagen in het gemeentelijk computersysteem. Nadat hierover op ambtelijk niveau binnen de dienst nader overleg had plaatsgevonden, zijn deze adviezen voor zover zij met de uitkomsten van dat overleg niet in overeenstemming waren in het computersysteem gewijzigd en overschreven, aldus het college. Deze werkwijze heeft geresulteerd in het openbaar gemaakte definitieve advies van 25 oktober 2004, dat als enige bewaard is gebleven. De overige adviezen - waarin, zoals vermeld, een ander standpunt werd verwoord dan in het definitieve advies en het daarop gebaseerde besluit - zijn door de overschrijving in het computersysteem volgens het college niet meer beschikbaar en kunnen derhalve niet openbaar worden gemaakt.

De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze door het college gegeven weergave van de werkwijze binnen de gemeente. Evenals de rechtbank acht de Afdeling de ontkenning van het college dat de opgevraagde documenten onder hem berusten, daarom niet ongeloofwaardig. Dat de betrokken documenten niettemin onder het college berusten, is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt. De niet nader onderbouwde stelling dat hij het onwaarschijnlijk acht dat in de periode van 16 april 2004 tot 25 oktober 2004 geen relevante documenten zijn opgemaakt, is hiervoor niet voldoende.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

176-546.