Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0340

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200707139/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. (hierna: Kuwait) een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) verleend voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewater, afkomstig van het terrein van het Q8-Tango tankstation aan de Borgtweg te Spijkenisse. Dit besluit is op 30 augustus 2007 ter inzage gelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200707139/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats],

en

het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. (hierna: Kuwait) een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) verleend voor het lozen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewater, afkomstig van het terrein van het Q8-Tango tankstation aan de Borgtweg te Spijkenisse. Dit besluit is op 30 augustus 2007 ter inzage gelegd

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.J.M.M. Vorsters, werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Kuwait, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat [appellante] geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat het beroep van [appellante] zou zijn ingegeven door concurrentiebelangen. Deze belangen vallen volgens het college buiten het door hem te hanteren beoordelingskader.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van de Wvo beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200606317/1) is onder meer degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang een rol kan spelen binnen het beoordelingskader dat bij het nemen van dit besluit in acht moet worden genomen.

Niet in geschil is dat [appellante] en Kuwait in hetzelfde marktsegment werkzaam zijn en op hetzelfde verzorgingsgebied zijn gericht: in beide tankstations wordt benzine en diesel verkocht aan particulieren en beide tankstations zijn gevestigd in Spijkenisse.

Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het belang van [appellante] als directe concurrente rechtstreeks is betrokken bij het door het college genomen besluit.

2.2. Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden.

Onbestreden staat vast dat het tankstation een inrichting type B is als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit.

Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, gelden de bij artikel 1 van de Wvo gestelde verboden niet voor het lozen vanuit een inrichting type B.

Aangezien in verband hiermee voor de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten geen vergunning meer is vereist, is de bij dat besluit verleende vergunning vervallen.

Ingevolge artikel 6.2 van het Activiteitenbesluit worden voorschriften die zijn verbonden aan een vóór 1 januari 2008 op grond van artikel 1 van de Wvo voor een lozing vanuit een inrichting type A of B verleende vergunning, die vóór die datum in werking en onherroepelijk was, onder omstandigheden als maatwerkvoorschriften aangemerkt. Omdat de bij het bestreden besluit verleende vergunning vóór 1 januari 2008 niet onherroepelijk was, zijn er geen voorschriften die worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

Niet is gebleken dat [appellante] niettemin belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Overigens voorzien de Awb en de Wet milieubeheer in rechtsmiddelen tegen een mogelijk door het college te nemen besluit tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften.

2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

271-529.