Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0335

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200704700/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oegstgeest (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Morsebel en Klinkenbergerplas".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704700/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oegstgeest (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2006 vastgestelde bestemmingsplan "De Morsebel en Klinkenbergerplas".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2008, waar [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. drs. S.A.P. van den Berg, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door M. Bakker en E.M. Cok, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.2. [appellante sub 1] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Water (WA)" voor de Haarlemmertrekvaart. Zij is eigenares van delen van de Haarlemmertrekvaart en voert aan dat ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid van ligplaatsen voor pleziervaartuigen ter hoogte van de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Deze uitbreiding van het aantal ligplaatsen in de gemeente Oegstgeest zou voorzien in de groeiende vraag en geen afbreuk doen aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten. Bovendien zou daarmee een ruimere invulling aan de openbare functie van het water worden gegeven.

2.3. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat het uitbreiden van de ligplaatsen op de door [appellante sub 1] gewenste locaties in strijd is met het gemeentelijke beleid om alleen op aangewezen plaatsen gedurende het vaarseizoen ligplaatsen voor pleziervaartuigen toe te staan.

2.4. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor "Water (WA)" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor:

a. vaarten, sloten, waterpartijen, vijvers en oeverbeschoeiingen;

b. de waterhuishouding;

c. ligplaatsen ten behoeve van het aanleggen van pleziervaartuigen conform de situering op de plankaart ter plaatse van de aanduiding "ligplaats".

2.5. Ingevolge artikel 5.3.2A, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest (hierna: APV) is het verboden met een vaartuig, niet zijnde een woonschip, langer dan acht meter, aan te leggen of af te meren buiten de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wateren. Ingevolge artikel 5.3.2B, tweede lid, is het alleen toegestaan met een vaartuig, niet zijnde een woonschip, korter dan acht meter, aan te leggen of af te meren aan de voor dit doel aangelegde openbare passantensteigers in de openbare wateren in Oegstgeest of binnen de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wateren. Ingevolge het vierde lid van dit artikel is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen aan de openbare steigers.

Het in de APV neergelegde verbod voor het innemen van ligplaats voor onder meer pleziervaartuigen in openbaar water geldt ook voor de Haarlemmertrekvaart. Op grond van een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest van 14 maart 2006 is het toegestaan om in het vaarseizoen op de bij dit besluit aangewezen plaatsen ligplaats in te nemen. De ingevolge dit besluit aangewezen plaatsen zijn op de bij het bestemmingsplan behorende kaart aangeduid.

2.6. Het gemeentelijke beleid is erop gericht de ruimtelijke kwaliteit van de openbare wateren te waarborgen. In dit beleid wordt ervan uitgegaan dat een rommelig en onoverzichtelijk beeld ontstaat als de openbare wateren vol worden gelegd met verschillende boten. Dit kan bovendien negatieve gevolgen met zich brengen in de vorm van geluid- en stankoverlast, verontreiniging van het water, vervuiling van de grond, parkeeroverlast, verhoogde kans op diefstal en belemmering van het uitzicht. [appellante sub 1] heeft in het licht van dit beleid niet aannemelijk gemaakt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door haar gewenste ligplaatsen afbreuk kunnen doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de Haarlemmertrekvaart. De op grond van het besluit van 14 maart 2006 van het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest aangewezen plaatsen, die als zodanig niet in geschil zijn, betreffen, anders dan de door [appellante sub 1] gewenste ligplaatsen, bestaande plaatsen. In de belangen van [appellante sub 1] bij een verruiming van het aantal ligplaatsen voor pleziervaartuigen heeft het college geen aanleiding behoeven te zien niet met het vasthouden aan het gemeentelijke beleid door de raad in te stemmen.

2.6.1. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] stelt in beroep dat het college ten onrechte heeft ingestemd met een sportbestemming voor het perceel Gerrit Rietveldlaan 1A ten behoeve van het oprichten van een nieuwe sporthal met clubhuis voor handboogvereniging Attila. Hij voert aan dat het college de in zijn nadere reactie van 18 maart 2007 genoemde argumenten inzake het alternatievenonderzoek niet inhoudelijk heeft beoordeeld en ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat het gemeentebestuur verwachtingen heeft gewekt dat de groenbestemming ter plaatse zou worden behouden. [appellant sub 2] stelt zich voorts op het standpunt dat het perceel onderdeel uitmaakt van de groene verbindingen van het groenbeleidsplan Oegstgeest 2002 (hierna: het groenbeleidsplan) en moet worden aangemerkt als een te versterken verbindingszone. Het kappen van het aanwezige groen is hiermee in strijd, aldus [appellant sub 2]. Daarnaast is volgens hem onvoldoende gemotiveerd dat de bestemming niet strijdig is met het beeldkwaliteitsplan "Woongebied De Morsebel" uit 1993 (hierna: het beeldkwaliteitsplan). [appellant sub 2] voert verder aan dat het college ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat het uitgangspunt van de structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 (hierna: de structuurvisie) is dat geen inbreiding plaatsvindt en dat de volgens de structuurvisie vereiste beoordeling van de effecten op de ecologie en de leefomgeving ontbreekt. Ten slotte stelt hij dat de geluidsoverlast van de naastliggende gemeentewerf zal toenemen als gevolg van het vervangen van het groen door een sporthal.

2.8. In het voorgaande bestemmingsplan "De Morsebel" was aan het perceel Gerrit Rietveldlaan 1A de bestemming "Groendoeleinden" toegekend. In het onderhavige plan is aan het grootste deel van het perceel de bestemming "Sportdoeleinden (S)" met een bouwvlak van ongeveer 12 bij 50 meter toegekend. Gelet op de bij het plan behorende kaart biedt het plan de mogelijkheid op dit bouwvlak een sportvoorziening te bouwen met een maximale bouwhoogte van vier meter. Aan de randen van het perceel is met een breedte van twee tot drie meter de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" toegekend.

2.9. In het bestreden besluit is het standpunt van het college ten aanzien van de ingebrachte bedenkingen met betrekking tot de keuze voor het realiseren van een sporthal met clubhuis vermeld. Dat niet op ieder argument uit de brief van 18 maart 2007 afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Daarbij wordt overwogen dat het college, anders dan [appellant sub 2] betoogt, de vermeende toezeggingen in het bestreden besluit nader heeft besproken.

[appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat voor het onderhavige perceel blijvend in een groenbestemming zou worden voorzien. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voorts wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

2.9.1. In het groenbeleidsplan, dat door de raad op 19 december 2002 is vastgesteld, staat dat dit plan richting geeft aan toekomstige (her)inrichtingen, omvormingen en eventuele uitbreidingen van het openbaar groen. Hierbij is één van de uitgangspunten het in stand houden en ontwikkelen van de groenstructuur in Oegstgeest en het zoeken van aansluiting op regionale groenstructuren. In het groenbeleidsplan zijn de belangrijkste verbindingszones van de groene hoofdstructuur in Oegstgeest beschreven en aangegeven op een bij het plan behorende figuur. In de structuurvisie zijn de voorwaarden voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in Oegstgeest opgenomen. Onder het kopje Groen staat dat het uitgangspunt is dat geen inbreiding van groene zones en locaties plaatsvindt. Voorts is aangegeven dat een beoordeling van de effecten op de ecologie en de leefomgeving een zwaarwegend element zal zijn bij de afweging door de raad, indien het benutten van openbaar groen voor een bepaalde functie onvermijdelijk wordt. Hierbij zijn de in de structuurvisie genoemde voorwaarden voor herstructurering van toepassing. Uit de toelichting blijkt dat de in de structuurvisie genoemde verbindingszones gelijk zijn aan de zones genoemd in het groenbeleidsplan. In het beeldkwaliteitsplan staan de uitgangspunten voor de inrichting van het woongebied De Morsebel.

2.9.2. Zoals hiervoor is aangegeven staat het de raad vrij om bij het vaststellen van een bestemmingsplan te kiezen voor een invulling van een perceel die afwijkt van die van het voorgaande bestemmingsplan. Daarbij dient onder meer een toets aan het relevante gemeentelijke beleid, zoals neergelegd in het groenbeleidsplan, het beeldkwaliteitsplan en de structuurvisie, plaats te vinden. Voor zover de beoogde ontwikkeling daarmee in strijd is, betekent dat niet dat de voorziene ontwikkeling reeds om die reden niet mogelijk gemaakt kan worden. Een afwijking van het beleid dient voldoende te zijn gemotiveerd.

2.9.3. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting valt niet uit te sluiten dat het perceel Gerrit Rietveldlaan 1A voor een gedeelte valt binnen een zone als aangegeven in het groenbeleidsplan en de structuurvisie. De Afdeling zal in zoverre dan ook ingaan op de door [appellant sub 2] gestelde strijd met het gemeentelijke beleid. Daarin wordt, mede gelet op het gemeentelijke beeldkwaliteitsplan, het behoud van een groene afschermende werking ten opzichte van het achterliggende bedrijventerrein van belang geacht.

Het college heeft in dat verband van belang kunnen achten dat op het onderhavige perceel rondom de bestemming "Sportdoeleinden (S)" de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" is gelegd, waardoor de te realiseren sportvoorziening in de omgeving kan worden ingepast en geen ontsierende situatie behoeft te ontstaan. Voor zover sprake is van een te behouden, groene bufferzone wordt overwogen dat door de groenomheining langs de randen van het perceel kan worden voldaan aan de uitgangspunten in de verschillende gemeentelijke beleidsstukken. Niet is aannemelijk gemaakt dat de voorziene invulling van het perceel zal leiden tot een wezenlijk verminderde afscherming van het bedrijventerrein. Daarnaast staat vast dat de te realiseren sporthal met clubhuis een beperkte maximale hoogte zal hebben van vier meter. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel bijzondere groenvoorzieningen aanwezig zijn. Voor zover het onderhavige geval moet worden gezien als inbreiding op een openbare groenlocatie, wordt overwogen dat in hoofdstuk 8 van de toelichting bij het bestemmingsplan nader is ingegaan op de effecten van onder meer de realisering van een sportvoorziening op het onderhavige perceel op de flora en fauna ter plaatse. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college niet van de in dit hoofdstuk neergelegde bevindingen mocht uitgaan.

Uit het voorgaande volgt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van strijd met het gemeentelijke beleid in de verschillende beleidsstukken geen sprake is, althans dat de raad voldoende gemotiveerd van het in deze stukken neergelegde beleid is afgeweken.

2.9.4. Met betrekking tot de door [appellant sub 2] gestelde geluidsoverlast van de naastliggende gemeentewerf wordt overwogen dat ten behoeve van het functioneren van de gemeentewerf een milieuvergunning is verleend waarin bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de maximaal toegestane geluidsbelasting. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze vergunning niet afhankelijk is van de invulling van het onderhavige perceel. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de geluidsafschermende werking van groen groter is dan die van de voorziene bebouwing.

2.9.5. Voorts wordt overwogen dat door het gemeentebestuur onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties voor het realiseren van een sporthal met clubhuis. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plandeel. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plandeel ziet. Het college heeft zich, zoals ook ter zitting nog nader is uiteengezet, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.9.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bechinka

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

371-464.