Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200705662/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de raad van de gemeente Beek (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/413
Module Ruimtelijke ordening 2008/3621

Uitspraak

200705662/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/784 van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Beek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de raad van de gemeente Beek (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft de gemeenteraad, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 16 december 2004 herroepen en het verzoek om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij uitspraak van 5 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 februari 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat te Beek, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. D.H.A.S. Gidding, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon dan wel kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden dan wel zal plaatsvinden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. [appellant] is sinds 6 juni 1991 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Op het perceel staat een herenboerderij die is aangewezen als monument in de zin van de Monumentenwet 1988. De boerderij is gedeeltelijk in gebruik als notariskantoor en gedeeltelijk als kantoor verhuurd. [appellant] stelt schade te lijden ten gevolge van het bestemmingsplan "Kern Beek", omdat de gebruiksmogelijkheden van het perceel in dat bestemmingsplan zijn beperkt, waardoor het perceel in waarde is verminderd.

2.4. Ingevolge het bestemmingsplan "Kern Beek", dat op 10 februari 2000 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 23 mei 2000 door het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) is goedgekeurd, rust op het perceel de bestemming "Centrumdoeleinden 2" met nadere aanduiding "KG".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor kantoordoeleinden met een bedrijfsvloeroppervlak inclusief bijgebouwen kleiner dan of gelijk aan 150 m2, consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten met een bedrijfsvloeroppervlak inclusief bijgebouwen kleiner dan of gelijk aan 60 m2 (100 m2 na verlening van een vrijstelling krachtens artikel 8, vierde lid, onder A, sub a van de planvoorschriften), bedrijfsdoeleinden met een bedrijfsvloeroppervlak inclusief bijgebouwen kleiner dan of gelijk aan 100 m2 (150 m2 na verlening van een vrijstelling krachtens artikel 8, vierde lid, onder A, sub a van de planvoorschriften), horecadoeleinden, bijzondere doeleinden, woondoeleinden, verkeersdoeleinden in de vorm van fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en doeleinden van openbaar nut. Op grond van de nadere aanduiding "KG" mag het perceel worden gebruikt voor kantoordoeleinden met een bedrijfsvloeroppervlak inclusief bijgebouwen groter dan 150 m2, met dien verstande dat indien deze functie gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 3 jaren niet wordt uitgeoefend, zij ter plaatse niet meer mag worden voortgezet (de zogenoemde uitsterfclausule).

Ingevolge artikel 3, zevende lid, onder a zijn op de bestemmingskaart bouwwerken waarvoor de Monumentenwet 1988 geldt […] als rijksmonument aangeduid.

Ingevolge dat lid en onder b mag op gronden van de in de bijlage 2 aangegeven cultuurhistorisch waardevolle bebouwingselementen slechts worden gebouwd, indien en voor zover noodzakelijk voor de inrichting ten behoeve van de in de betreffende artikelen omschreven doeleinden met inbegrip van het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande dat:

- geen wezenlijke verandering wordt aangebracht aan de karakteristieke bebouwing, beeldbepalende en beeldondersteunende panden en wanden;

- de gevels der gebouwen in de op de bestemmingskaart aangegeven bebouwingsgrenzen c.q. voorgevelrooilijn moeten worden gehandhaafd;

- de omgeving van de karakteristieke bebouwing zoveel mogelijk blijft gehandhaafd.

Voor zover en voor zolang de Monumentenwet 1988 van toepassing is, is dit lid niet van toepassing.

Ingevolge dat lid en onder c mag op gronden zoals aangegeven op de van deze voorschriften deel uitmakende bijlage 2 slechts worden gebouwd indien en voor zover noodzakelijk voor de inrichting ten behoeve van de in dit plan nader omschreven doeleinden met inbegrip van het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing en met dien verstande dat geen wezenlijke verandering wordt aangebracht aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit zoals die tot uitdrukking komen op de van deze voorschriften deel uitmakende bijlage 2.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Proosdijveld", dat op 11 september 1969 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 27 april 1970 door het college is goedgekeurd, rustte op het perceel de bestemming "Gemengde bebouwing". Op grond van deze bestemming waren op het perceel onder voorwaarden, vermeld in de bij het bestemmingsplan behorende tabel, eengezinshuizen toegestaan, alsmede winkel- en verblijfsruimten, mits op de begane grond, en werk- en bedrijfsruimten met de daarbij behorende bijgebouwen, bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken.

2.5. De gemeenteraad heeft in de bezwaarfase het verzoek van [appellant] ter advisering voorgelegd aan Sargas kenniscentrum (hierna: Sargas). In zijn advies van 20 oktober 2005 stelt Sargas dat [appellant], wat betreft de bebouwingsmogelijkheden van het perceel, ten gevolge van het bestemmingsplan "Kern Beek" in een duidelijk voordeliger planologische situatie is geraakt, nu op grond van de planvoorschriften uitbreiding van de bebouwing en vervangende nieuwbouw ter plaatse van de bestaande bebouwing mogelijk is en de toegestane bouwhoogte meer dan verdubbeld is. In het advies staat vermeld dat wat betreft de gebruiksmogelijkheden van het perceel sprake is van een lichte planologische verslechtering, nu in het bestemmingsplan "Kern Beek" beperkingen zijn gesteld ten aanzien van het aantal m2 aan bedrijfsvloeroppervlakte op de benedenverdieping. Dit lichte planologische nadeel wordt volgens Sargas ruim gecompenseerd door de planologische voordelen, zodat [appellant] niet in een planologisch nadeliger situatie is geraakt. De gemeenteraad heeft dit advies aan het besluit van 9 februari 2006 ten grondslag gelegd en het besluit van 16 december 2004 herroepen omdat dit op onjuiste gegevens was gebaseerd.

2.6. De rechtbank heeft het besluit van 9 februari 2006 vernietigd, omdat [appellant] in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht niet is gehoord over het advies van Sargas van 20 oktober 2005. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de gemeenteraad terecht en op goede gronden heeft besloten dat [appellant] niet voor planschadevergoeding in aanmerking komt en [appellant] bovendien voldoende gelegenheid heeft gehad om in beroep op het advies van Sargas te reageren en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. De vernietiging van het besluit van 9 februari 2006 is niet in geschil.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hiertoe voert hij onder verwijzing naar het in zijn opdracht opgestelde deskundigenrapport van De Lorijn raadgevers o.g. (hierna: De Lorijn) van 15 mei 2007 aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de zogenoemde uitsterfclausule in het bestemmingsplan "Kern Beek" leidt tot een planologische verslechtering ten opzichte van het bestemmingsplan "Proosdijveld" en de planologische voordelen die een toename van de bebouwingsmogelijkheden met zich zouden brengen, daartegen niet opwegen. In dit verband betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de monumentale status van het pand niet bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding kan worden betrokken. Hij stelt daartoe dat de realisering van de bebouwingsmogelijkheden op het perceel ingevolge het bestemmingsplan "Kern Beek" vanwege die monumentale status met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten en die bebouwingsmogelijkheden derhalve geen planologische voordelen opleveren. Voorts ontbreekt in het advies van Sargas een deugdelijke taxatie van de planologische voor- en nadelen, waardoor niet inzichtelijk is hoe Sargas tot de conclusie is gekomen dat [appellant] per saldo niet in een planologisch nadeliger situatie is geraakt. De gemeenteraad had zich bij het nemen van zijn besluit op bezwaar niet op dit advies mogen baseren, hetgeen de rechtbank heeft miskend, aldus [appellant].

2.7.1. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de zogenoemde uitsterfclausule ertoe strekt dat indien het huidige gebruik van het pand als kantoorruimte gedurende drie jaren is gestaakt, dit gebruik wordt beperkt tot een bedrijfsvloeroppervlak van 150 m2, omdat naar zijn mening uit artikel 8, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan "Kern Beek" behorende planvoorschriften volgt dat in dat geval de kantoorfunctie in het pand in zijn geheel niet meer mag worden uitgeoefend, faalt dit betoog, nu deze uitleg berust op een onjuiste lezing van het bepaalde in voornoemd artikel. De rechtbank is uitgegaan van een juiste lezing daarvan.

2.7.2. De gemeenteraad heeft niet bestreden dat sprake is van een licht planologisch nadeel wat betreft de gebruiksmogelijkheden van het perceel. Ter beantwoording ligt daarom voor de vraag of de door de gemeenteraad, in navolging van het advies van Sargas, gestelde planologische voordelen wat betreft de bebouwingsmogelijkheden, tegen dit nadeel opwegen, zodat [appellant] per saldo niet in een planologisch nadeliger positie is geraakt.

Volgens het door [appellant] ingebrachte deskundigenrapport van De Lorijn van 15 mei 2007 is vervangende nieuwbouw ter plaatse van het perceel vanwege de aanwijzing van de herenboerderij als monument in de zin van de Monumentenwet 1988 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten, omdat de bestaande bebouwing zoveel mogelijk gehandhaafd dient te blijven.

De herenboerderij is op de plankaart als rijksmonument aangeduid. Zoals ook in artikel 3, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften is vermeld, geldt voor dit bouwwerk de Monumentenwet 1988. Voorts zijn aan het bouwen op het perceel beperkingen verbonden op grond van artikel 3, zevende lid, onder c, van de planvoorschriften. Uit de bij de planvoorschriften behorende bijlage 2 van cultuurhistorisch waardevolle bebouwingseenheden (hierna: bijlage 2), waarin de herenboerderij eveneens als rijksmonument wordt vermeld, volgt dat de gemeenteraad de Monumentenwet 1988 als een voldoende beschermende regeling voor rijksmonumenten heeft beschouwd en het niet noodzakelijk heeft geacht om daarvoor een specifieke regeling in het bestemmingsplan op te nemen. Daarom is artikel 3, zevende lid, onder b, van de planvoorschriften niet van toe[appellant]sing, zolang sprake is van een monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van die wet is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Aangezien in het advies van Sargas noch de monumentale status van de herenboerderij, noch artikel 3, zevende lid, onder c, van de planvoorschriften bij de planvergelijking is betrokken, is niet vastgesteld in hoeverre deze de verwezenlijking van de bebouwing die ingevolge de planvoorschriften met betrekking tot de op het perceel rustende bestemming mogelijk is, uitsluiten.

Die vaststelling is noodzakelijk voor een draagkrachtige motivering van het standpunt dat de bebouwingsmogelijkheden ingevolge het bestemmingsplan "Kern Beek" kunnen worden aangemerkt als planologische voordelen en dat [appellant] per saldo niet in een planologisch nadeliger situatie is geraakt. Daargelaten dat in het advies op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt hoe het planologisch nadeel en de gestelde planologische voordelen zijn gewaardeerd, had de gemeenteraad het advies van Sargas reeds daarom niet aan zijn besluit van 9 februari 2006 ten grondslag mogen leggen. Door dit wel te doen, heeft de gemeenteraad het besluit van 9 februari 2006 niet zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en derhalve de rechtsgevolgen van dat besluit ten onrechte in stand gelaten.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2006 in stand worden gelaten. De gemeenteraad dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen mede met inachtneming van hetgeen in 2.7.2 is overwogen.

2.9. De gemeenteraad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2007 in zaak nr. 06/784, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2006 in stand zijn gelaten;

III. veroordeelt de gemeenteraad tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Beek aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente van Beek aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

164-505.