Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200801918/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de inrichting van [verzoekster] voor het opslaan, overslaan, be- en verwerken van afvalstoffen op het perceel [locatie 1 en 2] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Activiteitenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2008/31 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200801918/1.

Datum uitspraak: 17 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de inrichting van [verzoekster] voor het opslaan, overslaan, be- en verwerken van afvalstoffen op het perceel [locatie 1 en 2] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 april 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam, en mr. M.J. Stegers en J.I. Saarloos, ambtenaren werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het college [verzoekster] gelast verdere overtreding van artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer gelezen in verband met artikel 1.5 en bijlage I, aanhef en onder II, bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer achterwege te laten door de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten op de percelen kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […] en sectie […], nummer […], voor zover niet behorend tot haar inrichting te beëindigen en beëindigd te houden.

2.2. Het college heeft geconstateerd dat [verzoekster] twee percelen bij haar inrichting heeft betrokken waarop activiteiten zijn/worden verricht die niet zijn begrepen in de haar krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. Op één van de percelen exploiteert [gemachtigde] een veehouderijbedrijf. Het college stelt zich op het standpunt dat een aangelegde grondwal, waarop de ten behoeve van de inrichting verleende vergunning gedeeltelijk betrekking heeft, zich voor een deel bevindt op het terrein van de veehouderij. Ook zouden op het terrein van de veehouderij materialen en materieel opgeslagen zijn die toebehoren aan de inrichting. Verder is volgens het college materieel opgeslagen buiten de grens van de vergunde inrichting langs het zogeheten brandweerpad.

2.3. De voorzitter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de grondwal zich gedeeltelijk buiten de grens van de vergunde inrichting bevindt en dat ook buiten de grens van de vergunde inrichting langs het zogeheten brandweerpad materieel ten behoeve van de inrichting is opgeslagen. Dit is niet in overeenstemming met de voor de inrichting geldende vergunning. In dit opzicht was het college bevoegd daartegen handhavend op te treden.

Wat de op het terrein van de veehouderij opgeslagen materialen en materieel betreft, die volgens het college zouden toebehoren aan de inrichting, is ter zitting vooralsnog niet komen vast te staan dat op dit punt wordt gehandeld in strijd met de voor de inrichting geldende vergunning. Tijdens de bezwaarprocedure dient dit punt zonodig nader te worden onderzocht.

2.4. [verzoekster] heeft in haar bezwaarschrift en ter zitting verklaard dat zij op korte termijn een aanvraag zal indienen om de met de vergunning strijdige situatie in overeenstemming met de geldende vergunning te doen brengen. Van de zijde van het college is medegedeeld dat hij het onder deze omstandigheid niet redelijk acht handhavend op te treden en eventueel te verbeuren dwangsommen te innen. Het college gaat er vanuit dat er in elk geval vóór 1 juni 2008 een ontvankelijke aanvraag in behandeling kan worden genomen. Het college heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat het aldus legaliseren van de overtredingen niet tot de mogelijkheid behoort. Verder is van de zijde van het college betoogd dat de behandeling van het bezwaar van [verzoekster] op een hoorzitting pas over twee tot drie maanden zal plaatsvinden.

Gelet hierop acht de voorzitter het niet ondenkbaar dat het college in het kader van het te nemen besluit op bezwaar tot de conclusie zal komen dat er concreet uitzicht op legalisatie bestaat en dat het niet (langer) redelijk is handhavend op te treden. Dit in aanmerking genomen ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 februari 2008, kenmerk PZH-2008-60014, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008

159.