Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200704745/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2007, nr. 2007REG001333i, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maarssen (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Herenweg-Gageldijk e.o., 2e partiële herziening".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704745/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2007, nr. 2007REG001333i, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maarssen (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Herenweg-Gageldijk e.o., 2e partiële herziening".

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en anderen (hierna: [appellanten]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [partij] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven en hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar [appellanten], bij monde van [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door S.C. Lutters en A.T. de Wildt, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht, en [adviseur].

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting door [appellant B] een nader stuk overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. [appellant A] heeft geen bedenkingen tegen het plan ingebracht bij het college. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. [appellant B] heeft niet aangevoerd dat deze omstandigheid zich voordoet. Voor zover het beroep door haar is ingesteld, is het beroep dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in de vestiging van een paardenhouderij op gronden achter de percelen Gageldijk 43 tot en met 55 en in twee bedrijfswoningen.

2.4. [appellanten] stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Ten eerste voeren zij onder meer aan dat het plan op dit punt in strijd is met het streekplanbeleid dat is gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Volgens hen gaat het college er ten onrechte aan voorbij dat de ter plaatse vergunde tuinbouwkassen niet zijn gerealiseerd. Hierbij merken zij op dat de desbetreffende bouwvergunning in 1991 is verleend en dat het gemeentebestuur bevoegd is tot intrekking van deze vergunning. Gelet hierop kan de in het plan toegelaten bebouwingsoppervlakte volgens hen niet gelijk worden gesteld met de vergunde bebouwingsoppervlakte voor tuinbouwkassen. Daarnaast stellen zij dat de ruimtelijke uitstraling van dergelijke kassen aanzienlijk verschilt van de voorziene bebouwing.

Voorts voeren [appellanten] aan dat in de plantoelichting ten onrechte niet is ingegaan op de geluidsoverlast van het verkeer van en naar de paardenhouderij. Zij stellen dat volgens het akoestisch rapport van 13 juni 2003 slechts aan de geluidsnormen kan worden voldaan in geval van een afzonderlijke in- en uitrit voor de paardenhouderij. Volgens hen is de realisering van een ontsluiting bij het perceel Gageldijk 43 echter niet realistisch en bovendien onwenselijk vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid.

Ten slotte betogen [appellanten] dat de toepasselijke begripsomschrijving van paardenhouderij onvoldoende is bepaald, zodat op grond van het plan ter plaatse ook activiteiten kunnen worden uitgeoefend die tot een grotere overlast voor omwonenden zullen leiden dan een paardenhouderij.

2.5. Het college acht het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht.

Het college stelt dat het plan in overeenstemming is met het streekplan, omdat de vestiging van een paardenhouderij op grond daarvan aanvaardbaar is in een gebied dat is aangeduid als 'Landelijk Gebied I'. Voorts wijst het college erop dat het plangebied is gelegen in een stadsrandzone met een diversiteit aan functies, waarbinnen een paardenhouderij functioneel gezien passend wordt geacht. Ook de bestaande ruimtelijke karakteristiek van het gebied staat volgens het college niet in de weg aan de vestiging van een paardenhouderij. Daartoe stelt het college dat in de omgeving van het perceel zowel agrarische als niet-agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is, die in bepaalde gevallen een aanzienlijke omvang heeft. Verder acht het college van belang dat een in rechte onaantastbare bouwvergunning is verleend voor de bouw van tuinbouwkassen met een oppervlakte van 20.000 m² op het in geding zijnde perceel. Het college merkt op dat in het voorliggende plan een bebouwde oppervlakte van ten hoogste 9500 m² is toegelaten.

Voorts stelt het college dat het verkeer van en naar de paardenhouderij gescheiden zal plaatsvinden. Ook wijst het college erop dat in de milieuvergunning voorwaarden kunnen worden opgenomen om te voorkomen dat onaanvaardbare geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de paardenhouderij zal optreden. Hierbij merkt het college op dat de dichtstbijzijnde woning op een afstand van ongeveer 60 meter van het bouwvlak voor de paardenhouderij is gelegen. Gelet hierop acht het college niet aannemelijk dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

2.6. In zijn schriftelijke uiteenzetting stelt de raad dat indirecte geluidhinder van verkeersbewegingen van en naar de paardenhouderij eerst aan de orde komt in de procedure omtrent de milieuvergunning voor de paardenhouderij.

2.7. Volgens het streekplan is speciale aandacht wenselijk voor het gebied dat globaal gezien wordt begrensd door de N230 Zuilense Ring, Sweserengseweg, Maarsseveensevaart, Westbroekse Binnenweg en Burgemeester Huydecoperweg, waarin het plangebied is gelegen. Volgens het streekplan is in dit gebied een diversiteit aan functies aanwezig, waardoor het oorspronkelijke karakter van landelijk gebied is vermengd met (semi-)stedelijke functies, recreatie, glastuinbouw enzovoort en de kwaliteit van het gebied in de loop van de tijd sterk is teruggelopen. Het beleid is erop gericht om waar mogelijk de omgevingskwaliteit te verbeteren en ongewenste gebruiksvormen met de bijbehorende bebouwing te saneren. Uitgangspunt is dat de kwaliteitsverbetering van het gebied substantieel moet zijn en dat daarbij de hoeveelheid bebouwing, verharding en stedelijke functies in het gebied vermindert, aldus het streekplan.

2.7.1. Uit de stukken blijkt dat in 1991 bouwvergunning is verleend voor het oprichten van tuinbouwkassen met een oppervlakte van 20.000 m² op het in geding zijnde perceel en dat deze vergunning in rechte onaantastbaar is. Nu het voorliggende plan voorziet in een maximaal te bebouwen grondvloeroppervlak van 9500 m², heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan leidt tot een vermindering van de hoeveelheid bebouwing en in die zin leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit als bedoeld in het streekplan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat met het plan wordt beoogd om de vergunde tuinbouwkassen, die volgens het streekplan afbreuk doen aan de kwaliteit van het gebied, te vervangen door een paardenhouderij die naar haar aard passend kan worden geacht in het buitengebied.

2.8. Ten aanzien van de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de paardenhouderij overweegt de Afdeling ten eerste dat het college en de raad niet hebben kunnen volstaan met de stelling dat dit aspect eerst aan de orde komt in het kader van de milieuvergunning voor de paardenhouderij, waarin de nodige voorwaarden kunnen worden opgenomen. Bij de beoordeling of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dient dergelijke geluidhinder voor omwonenden in het kader van de vereiste belangenafweging te worden betrokken.

Uit het akoestisch rapport "Paardenpension Gageldijk te Maarssen" van Kupers & Niggebrugge van 13 juni 2003, dat aan het plan ten grondslag is gelegd ten behoeve van het luchtkwaliteitonderzoek, volgt evenwel dat het equivalente geluidsniveau van het verkeer van en naar de paardenhouderij ten hoogste 43 dB(A) bedraagt en dat derhalve wordt voldaan aan de geldende voorkeursgrenswaarden van 45 en 50 dB(A). Overigens volgt uit het akoestisch rapport van 20 september 2007, dat is uitgebracht in het kader van de aanvraag voor een milieuvergunning, dat het equivalente geluidsniveau van dat verkeer ten hoogste 40 dB(A) bedraagt.

Ter zitting hebben [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het geluid van het starten van motoren en het dichtslaan van autodeuren op de parkeerplaatsen bij de paardenhouderij. Zij hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het geluidsniveau daardoor zoveel hoger is dan door het college en de raad is aangenomen, dat daardoor niet kan worden voldaan aan de geldende voorkeursgrenswaarden.

Voorts is in het akoestisch rapport van 13 juni 2003 weliswaar uitgegaan van een inrit tussen de woningen Gageldijk 53 en 53a en een uitrit tussen de woningen Gageldijk 43 en 45, doch daarin is, anders dan [appellanten] stellen, niet geconcludeerd dat uitsluitend in het geval die twee afzonderlijke ontsluitingswegen worden aangelegd, aan de geldende voorkeursgrenswaarden kan worden voldaan.

Ten slotte hebben [appellanten] ter zitting verklaard dat zij niet langer stellen dat van een onjuist aantal verkeersbewegingen is uitgegaan.

2.9. Ingevolge artikel 1.1 van het bestemmingsplan "Herenweg-Gageldijk e.o." wordt onder een paardenhouderij verstaan: een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette houderij voor paarden. Nu slechts het houden van paarden is toegelaten, is daarmee naar het oordeel van de Afdeling afdoende gewaarborgd dat ter plaatse geen activiteiten als horeca, scholing en al dan niet grootschalige evenementen en wedstrijden zijn toegelaten, zoals [appellanten] vrezen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in het bestemmingsplan "Herenweg-Gageldijk e.o." ook de bestemming "Manege" is opgenomen, waarmee de uitoefening van de hippische sport en het houden van aanverwante evenementen is toegelaten en aldus een uitdrukkelijk onderscheid is gemaakt ten opzichte van een paardenhouderij.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant A];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

177-516.