Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
200708950/1, 200708954/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-procedure / andere voorwaarde in beschikking op bezwaar / legalisatie en verificatie / verificatieonderzoek / motivering

In het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van [appellant 1] afgewezen omdat haar huwelijk niet is ingeschreven in de GBA. In bezwaar heeft zij een brief van de gemeente 's-Gravenhage overgelegd waaruit blijkt dat de huwelijksakte relaterende het huwelijk van 10 februari 1994 tussen haar en [echtgenoot] wordt ingeschreven in de GBA. In het besluit op bezwaar heeft de minister de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd omdat volgens hem geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk. Voor zover het betoog van de vreemdelingen zo moet worden begrepen dat zij menen dat in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen heroverweging op grondslag van het bezwaar heeft plaatsgevonden, faalt dit reeds omdat geen sprake is van een andere afwijzingsgrond, maar van een andere voorwaarde waaraan in beginsel eveneens moet zijn voldaan alvorens een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend. [..] Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 september 2004 in zaak nr. 200304168/1, www.raadvanstate.nl), vervullen legalisatie en verificatie een ondersteunende rol ten behoeve van de oordeels- en besluitvorming door de daartoe bevoegde instanties in het kader van de uiteenlopende procedures waarin de documenten als bewijsstuk moeten worden overgelegd en is het aan de bevoegde instantie om zelf te oordelen of het rechtsfeit met behulp van het document is komen vast te staan, dan wel aannemelijk geworden. Dat het college van burgemeester en wethouders van 's Gravenhage aan voormelde huwelijksakte gegevens over de burgerlijke staat van de vreemdeling heeft ontleend, betekent, gelet op het vorenstaande, derhalve niet dat de minister in de onderhavige procedures om die reden gehouden is uit te gaan van de juistheid van die gegevens.[..] De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat uit voormeld beleid volgt dat, indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, het vervolgens aan de minister is om te beslissen of een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd. Dat in dit geval een aanvraag om een mvv aan de orde is en niet een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier doet aan de toepasselijkheid van dit beleid, gelet op het in overweging 2.1 weergegeven beoordelingskader, niet af. De minister had derhalve dienen te beslissen of hij de huwelijksakte zou (laten) verifiëren, althans had in het besluit dienen te motiveren waarom hij hiervan af heeft gezien.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenwet 2000 15
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.13
Vreemdelingenbesluit 2000 3.14
Vreemdelingenbesluit 2000 3.17
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/229

Uitspraak

200708950/1 en 200708954/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2] en [appellant 3],

appellanten,

tegen de uitspraken in zaken nrs. 06/62764, 06/62766 en 06/62767 van de rechtbank 's Gravenhage van 19 november 2007 in de gedingen tussen:

[appellant 1] en [appellant 2] en [appellant 3]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant 1] om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 14 juli 2005 heeft de minister aanvragen van [appellant 2] en [appellant 3] om hun een mvv te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten, verzonden op 1 december 2006, heeft de minister de daartegen door [appellant 1] en [appellant 2] en [appellant 3] (hierna: de vreemdelingen) gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraken van 19 november 2007, verzonden op 22 november 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 december 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Voor verblijf hier te lande van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Ingevolge artikel 16, eerste lid, van die wet, gelezen in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder meer afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om verlening van een mvv te worden getoetst aan dezelfde criteria, als die welke gelden voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Behoudens indien internationale verplichtingen daartoe nopen, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ingevolge voormelde bepaling slechts ingewilligd, indien met de aanwezigheid van de vreemdeling hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.2. In grief 1 betogen de vreemdelingen onder meer dat de door [appellant 1] gevraagde mvv slechts geweigerd is omdat het huwelijk van [appellant 1] met [echtgenoot] niet is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) zodat, nu zij in bezwaar hebben aangetoond dat dit huwelijk wel is ingeschreven in de GBA van de gemeente 's Gravenhage, de minister de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van [appellant 1] niet op een andere grond had mogen baseren.

2.2.1. Ingevolge de artikelen 14 en 15 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, en 3.17, aanhef en onder b, van het Vb 2000, wordt, voor zover thans van belang, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend, indien sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk dat is ingeschreven in de GBA.

2.2.2. In het primaire besluit heeft de minister de aanvraag van [appellant 1] afgewezen omdat haar huwelijk niet is ingeschreven in de GBA. In bezwaar heeft zij een brief van de gemeente 's-Gravenhage overgelegd waaruit blijkt dat de huwelijksakte relaterende het huwelijk van 10 februari 1994 tussen haar en [echtgenoot] wordt ingeschreven in de GBA. In het besluit op bezwaar heeft de minister de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd omdat volgens hem geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk.

2.2.3. Voor zover het betoog van de vreemdelingen zo moet worden begrepen dat zij menen dat in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen heroverweging op grondslag van het bezwaar heeft plaatsgevonden, faalt dit reeds omdat geen sprake is van een andere afwijzingsgrond, maar van een andere voorwaarde waaraan in beginsel eveneens moet zijn voldaan alvorens een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend.

2.3. In grief 1 betogen de vreemdelingen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister het bestaan van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk als vaststaand gegeven had moeten aannemen, gelet op de inschrijving van de huwelijksakte in de GBA.

2.3.1. Dit betoog faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 september 2004 in zaak nr. 200304168/1, www.raadvanstate.nl), vervullen legalisatie en verificatie een ondersteunende rol ten behoeve van de oordeels- en besluitvorming door de daartoe bevoegde instanties in het kader van de uiteenlopende procedures waarin de documenten als bewijsstuk moeten worden overgelegd en is het aan de bevoegde instantie om zelf te oordelen of het rechtsfeit met behulp van het document is komen vast te staan, dan wel aannemelijk geworden. Dat het college van burgemeester en wethouders van 's Gravenhage aan voormelde huwelijksakte gegevens over de burgerlijke staat van de vreemdeling heeft ontleend, betekent, gelet op het vorenstaande, derhalve niet dat de minister in de onderhavige procedures om die reden gehouden is uit te gaan van de juistheid van die gegevens.

2.4. In grief 2 klagen de vreemdelingen, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat R. Aslam Hayat-Mazhar niet kan worden tegengeworpen dat de inhoud van de door haar overgelegde huwelijksakte niet is geverifieerd.

2.4.1. In de onderhavige procedure heeft [appellant 1] een gelegaliseerde huwelijksakte overgelegd waarin is vermeld dat het huwelijk tussen haar en [echtgenoot] is geregistreerd op 11 februari 1994. In de eerdere procedure waarbij een aanvraag om haar een verblijfsvergunning regulier te verlenen is afgewezen, heeft zij een huwelijksakte overgelegd waarin is vermeld dat het huwelijk tussen haar en [echtgenoot] is geregistreerd op 16 juni 1998.

De minister heeft in het besluit op het bezwaar van [appellant 1] het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk en de afwijzing van de aanvraag om die reden gehandhaafd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de door de vreemdeling overgelegde huwelijksakte weliswaar is gelegaliseerd, maar niet is gebleken dat verificatie van de inhoud daarvan heeft plaatsgevonden, zodat geen aanleiding bestaat een van beide akten als inhoudelijk juist aan te nemen, welke motivering hij in zijn verweerschrift in eerste aanleg nogmaals naar voren heeft gebracht.

2.4.2. Volgens paragraaf B2/8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), voor zover thans van belang, wordt de staat van personen aangetoond aan de hand van officiële gelegaliseerde bescheiden. Indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de IND aan de hand van de ter beschikking staande gegevens of het document wordt doorgeleid naar het ministerie van Buitenlandse Zaken met het verzoek om een verificatieonderzoek.

2.4.3. Gelet op de omstandigheid dat de door [appellant 1] in deze procedure overgelegde huwelijksakte inhoudelijk afwijkt van de door haar in de eerdere vergunningverleningsprocedure overgelegde huwelijksakte is de rechtbank er met juistheid vanuit gegaan dat de minister in de verschillen tussen beide akten aanleiding heeft kunnen vinden voor het standpunt dat het bestaan van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk door de in deze procedure overgelegde akte, hoewel deze is gelegaliseerd, niet is aangetoond. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat uit voormeld beleid volgt dat, indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, het vervolgens aan de minister is om te beslissen of een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd. Dat in dit geval een aanvraag om een mvv aan de orde is en niet een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier doet aan de toepasselijkheid van dit beleid, gelet op het in overweging 2.1 weergegeven beoordelingskader, niet af. De minister had derhalve dienen te beslissen of hij de huwelijksakte zou (laten) verifiëren, althans had in het besluit dienen te motiveren waarom hij hiervan af heeft gezien. De grief slaagt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraken van de rechtbank dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant 1] tegen het op haar bezwaar genomen besluit van de minister, verzonden op 1 december 2006, gelet op het vorenoverwogene, alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking omdat het in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van die wet niet van een deugdelijke motivering is voorzien. Doende hetgeen de rechtbank overigens zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellant 2] en [appellant 3] tegen het op hun bezwaren genomen besluit van de minister, verzonden op 1 december 2006, eveneens gegrond verklaren en dat besluit, wegens de samenhang met voormeld besluit, vernietigen.

2.6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 november 2007 in zaken nrs. 06/62764, 06/62766 en 06/62767;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de minister, verzonden op 1 december 2006, kenmerk 9909-10-6122 en kenmerk 9909 13 6088 en 9909-13-6092;

V. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 710,00 (zegge: zevenhonderdtien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Scheerhout

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

318.

Verzonden: 16 april 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak