Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200801146/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 januari 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/459

Uitspraak

200801146/2.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting Het Noordbrabants Landschap, gevestigd te Haaren, en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg,

verzoeksters,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 januari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting Stichting Het Noordbrabants Landschap en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2008, hebben Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2008, waar Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door L.J. van Wissen en ing. P.P.M. Veraart, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, bijgestaan door J. de Groot, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 170 kraamzeugen, 535 guste en dragende zeugen, 1.860 gespeende biggen, 2 beren, 20 opfokzeugen en 520 mestvarkens in stal 1 en 2. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 24 augustus 1993 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor 1.153 mestvarkens.

2.3. Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie betogen dat het college ten onrechte - vanwege de ongunstige plaatselijke omstandigheden wat betreft ammoniakbelasting - heeft besloten dat geen milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

2.3.1. Niet in geschil is dat het gaat om een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) aangewezen activiteit ten aanzien waarvan krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer moet worden beoordeeld of vanwege belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college krachtens dit artikel beslist dat het maken van een milieueffectrapport niet nodig is.

2.3.2. Ingevolge het vierde lid van artikel 7.8b, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag bij de beoordeling of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, rekening houden met de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG aangegeven omstandigheden.

2.3.3. In hetgeen Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie aanvoeren ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van de Richtlijn aangegeven omstandigheden en dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn welke nopen tot het maken van een milieu-effectrapport.

2.4. Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie betogen verder dat in stal 1 en 2 ten onrechte niet de best beschikbare technieken worden toegepast, omdat deze zijn uitgevoerd met een chemische luchtwasser met een rendement van 70%. Volgens hen kan uitsluitend een chemische luchtwasser met een rendement van 95% worden aangemerkt als beste beschikbare techniek.

2.4.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Onder beste beschikbare technieken moet ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden verstaan: de voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn.

2.4.2. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft voor wat betreft stal 1 en 2 onder meer betrekking op het Groen Labelstalsysteem BB 96.10.043-V1 (chemisch luchtwassysteem met 70% emissiereductie).

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200700553/1) behoren chemische luchtwassystemen tot de in de stallen van intensieve veehouderijen algemeen gebruikte en geaccepteerde systemen en kunnen dergelijke chemische luchtwassystemen als zodanig, ondanks de nadelige neveneffecten ervan zoals het energieverbruik en het ontstaan van afvalwater, in de regel tot de beste beschikbare technieken worden gerekend. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat dit systeem in dit geval kan worden beschouwd als de beste beschikbare techniek. Daarbij heeft het college onder meer gesteld dat de voordelen van een systeem met een 70% emissiereductie ten opzichte van een systeem met een 95% emissiereductie, te weten een minder hoog energieverbruik en minder afvalwater, in dit geval opwegen tegen het nadeel van dit systeem, namelijk een lagere ammoniakreductie. Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie hebben, gezien het vorenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat het onderhavige systeem, wat dit aspect betreft, niet kan worden beschouwd als de beste beschikbare techniek. Tevens heeft het college ter beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het energiegebruik en het afvalwater voorschriften aan de vergunning verbonden.

Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de vergunde systemen zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken.

2.5. Het Noordbrabants Landschap en de Brabantse Milieufederatie betogen verder dat ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wet ammoniak) de vergunning dient te worden geweigerd nu niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.5.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak, voor zover hier van belang, dient een vergunning te worden geweigerd wanneer niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd, indien de inrichting een gpbv-installatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is.

2.5.2. Niet in geschil is dat het hier niet gaat om een gpbv-installatie. Reeds hierom ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak had dienen te worden geweigerd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

373-570.