Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD0232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
200703636/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de provincie Overijssel (hierna: de provincie) een boete opgelegd van € 56.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en van € 10.500 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 15
Wegenwet
Wegenwet 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/127 met annotatie van C.L.G.F.H. A
JV 2008/249 met annotatie van mr. M. Tjebbes
AB 2010/180
NJB 2008, 1043

Uitspraak

200703636/1.

Datum uitspraak: 23 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de provincie Overijssel,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1900 van de rechtbank

Zwolle-Lelystad van 19 april 2007 in het geding tussen:

de provincie Overijssel

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de provincie Overijssel (hierna: de provincie) een boete opgelegd van € 56.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en van € 10.500 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 21 juli 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door de provincie gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door de provincie ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de provincie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift gediend.

Bij brief van 11 november 2007 heeft de provincie nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar de provincie, vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en mr. M. Mastenbroek, werkzaam bij de provincie, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.P.A. Fikken, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Blijkens het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 12 augustus 2005 (hierna: het boeterapport) heeft [aannemingsbedrijf], gevestigd te [plaats], op 29 juni 2005 in opdracht van de provincie maaiwerkzaamheden uitgevoerd in de bermen langs de Goorseweg vanaf Goor richting Diepenheim. Daarbij is het bijmaaien van bomen, bushokjes, sloten en wegmeubilair - de zogenoemde fijnmaaiwerkzaamheden - uitgevoerd door zeven personen van Poolse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen), zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven. Blijkens het boeterapport waren de vreemdelingen in dienst van het in Polen gevestigde [bedrijf].

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling er onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚ van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de Wid), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt hij het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15, als een beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, gesteld op € 8.000 en voor overtreding van artikel 15, tweede lid, op € 1.500 per persoon per beboetbaar feit.

Volgens beleidsregel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

2.3. De provincie betoogt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 1998 (NJ 1998/367) en de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006 in zaak nr. 200600200/1 dat, samengevat weergegeven, het leerstuk van de strafrechtelijke immuniteit in dit geval analoog van toepassing is en de rechtbank niet heeft onderkend dat haar geen boete kan worden opgelegd.

2.3.1. Op grond van dezelfde overwegingen als in haar voormelde uitspraak van 22 november 2006 zijn opgenomen, ziet de Afdeling in de omstandigheden waaronder in het voorliggende geval de overtredingen hebben plaatsgevonden, grond om de algemene vraag of die immuniteit ook geldt bij het opleggen van een bestuurlijke boete in het midden te laten, aangezien ook in dit geval bij een bevestigende beantwoording van die vraag op die immuniteit toch geen beroep zou kunnen worden gedaan.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenwet is het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap verplicht een weg te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam dien tot openbaren weg heeft bestemd.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, behoort tot het onderhoud van een weg als in het eerste lid bedoeld, mede het onderhoud van een tot die weg behorende berm of een tot die weg behorende bermsloot, echter slechts voor zover het onderhoud van de berm of de bermsloot dient ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg en voor zover het onderhoud niet, uit welke hoofde ook, tot de verplichting van anderen behoort.

Op strafrechtelijke immuniteit kan gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad een beroep worden gedaan indien het gaat om gedragingen die naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbare lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat het uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als dat openbare lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In deze omschrijving is centraal gesteld, de verantwoordelijkheid van de organen van openbare lichamen voor de uitvoering van een aan hen bij of krachtens de wet opgedragen bestuurstaak, in het kader waarvan besloten is tot gedragingen die strijden met geldende en op die gedragingen toepasselijke rechtsnormen. Strafrechtelijke immuniteit brengt met zich dat het openbaar lichaam niet kan worden vervolgd voor een zodanige gedraging. Aldus treedt de rechter niet in een beoordeling van de overtreding in het licht van de te verrichten bestuurstaak. De verantwoordelijkheid wordt ten volle aan het betrokken orgaan overgelaten, dat daarop wel kan worden aangesproken in het politieke en democratische verantwoordingsproces.

Het hebben van de in het eerste lid van artikel 15 van de Wegenwet genoemde verplichting betekent in dit licht niet dat de gehele feitelijke uitvoering van het vereiste onderhoud van een weg valt onder de strafrechtelijke immuniteit van het betrokken openbaar lichaam. Nu niet welbewust, met inroepen van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor voormeld onderhoud en motivering van de noodzaak daartoe, besloten is tot het laten verrichten van werkzaamheden in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav, valt gelet op hetgeen de Afdeling in voormelde uitspraak van 22 november 2006 heeft overwogen omtrent de grond waarop het inroepen van strafrechtelijke immuniteit gerechtvaardigd kan zijn en mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2007 (NJ 2007/512), niet in te zien dat in dit geval op zodanige immuniteit met succes een beroep kan worden gedaan.

Het betoog faalt.

2.4. De provincie betoogt voorts dat, samengevat weergegeven, zij door de rechtbank ten onrechte is aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav.

2.4.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94 23 574, nr. 5, blz. 2).

Uit het boeterapport blijkt dat de vreemdelingen ten dienste van de provincie arbeid hebben verricht, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de provincie als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken. Dat de provincie, naar zij stelt, de opdracht tot het verrichten van werkzaamheden aan [aannemingsbedrijf] heeft gegeven en met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden geen bemoeienis heeft gehad, leidt niet tot een ander oordeel, zoals ook blijkt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607474/1. Dat de provincie, naar zij stelt, niet op de hoogte was dan wel behoefde te zijn van de onderaanneming door [bedrijf] en het inzetten van de vreemdelingen voor het verrichten van werkzaamheden, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700303/1; www.raadvanstate.nl) is instemming met, respectievelijk wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist, het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt de provincie dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de vreemdelingen tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegetreden en derhalve geen grond bestaat voor het oordeel dat het eisen van tewerkstellingsvergunningen in strijd is met het Gemeenschapsrecht.

2.5.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Ingevolge die aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is voormeld verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wav, voor zover thans van belang, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits

a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is,

b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en

c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag) is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij.

Ingevolge artikel 49, eerste alinea, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Ingevolge artikel 50, laatste alinea, voor zover thans van belang, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Ingevolge Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen (hierna: Bijlage XII), onderdeel 2, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen, voor zover thans van belang, Polen en Nederland, artikel 39 van het EG-Verdrag slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Polen, nationale maatregelen toepassen om de toegang van Poolse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 januari 2008 in zaak nr. 200702763/1; www.raadvanstate.nl) leidt zij uit de arresten van het HvJ EG van 27 maart 1990 in zaak nr. C-113/89 (Rush-Portuguesa; RV 1990, 89), 9 augustus 1994, in zaak nr. C-43/93 (Van der Elst; RV 1994, 89), 21 oktober 2004 in zaak nr. C-445/03 (Commissie tegen Luxemburg; RV 2004, 92), 19 januari 2006 in zaak nr. C-244/04 (Commissie tegen Duitsland; RV 2006, 31) en van 21 september 2006 in zaak nr. C-168/04 (Commissie tegen Oostenrijk;

RV 2006, 43) af dat beperking van de vrijheid van dienstverrichting door middel van nationale maatregelen slechts in bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Een dergelijke beperking moet worden gerechtvaardigd door de bescherming van een algemeen belang en moet proportioneel zijn. Uit deze jurisprudentie blijkt voorts, dat nationale maatregelen - zoals de eis van een tewerkstellingsvergunning - ter controle of het vrij verkeer van diensten niet wordt gebruikt voor een ander doel dan de betrokken dienst zelf - zoals de omzeiling van de beperkingen op het vrij verkeer van werknemers - in ieder geval niet tot gevolg mogen hebben dat het vrij verkeer van diensten illusoir wordt. Daarnaast mag volgens het HvJ EG de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting niet aan de beoordelingsvrijheid van de administratie onderworpen zijn. Blijkens voormelde rechtspraak van het HvJ EG kan het beperken van de vrijheid van dienstverrichting door middel van nationale maatregelen gerechtvaardigd zijn in de situatie waarin met de terbeschikkingstelling wordt beoogd de desbetreffende werknemer, anders dan tijdelijk voor zover nodig voor de terbeschikkingstelling, te laten toetreden tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van tewerkstelling dan wel de beperkingen met betrekking tot het vrij werknemersverkeer te omzeilen. Volgens het HvJ EG doet die situatie zich in het algemeen niet voor, indien een dienstbetrekking bestaat tussen de terbeschikkinggestelde werknemer en de dienstverrichter, die werknemer zijn hoofdactiviteit in de lidstaat van herkomst uitoefent en hij na de dienstverrichting naar die lidstaat terugkeert.

2.5.2. Blijkens het boeterapport waren de vreemdelingen op 29 juni 2005 in dienst van het in Polen gevestigde [bedrijf]. Voorts bieden de stukken noch het verhandelde ter zitting aanknopingspunten voor het oordeel dat de werknemers van [bedrijf] hun hoofdactiviteit niet in Polen uitoefenen en [bedrijf] de vreemdelingen naar Nederland heeft verplaatst voor een tijdsduur die de duur van de met [aannemingsbedrijf] overeengekomen werkzaamheden ten dienste van de provincie overstijgt. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdelingen tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegetreden en is de eis van een tewerkstellingsvergunning in dit geval in strijd met artikel 49 van het EG-Verdrag.

Het betoog slaagt.

2.5.3. Gelet op hetgeen in 2.5.2. is overwogen, heeft de staatssecretaris ten onrechte een boete opgelegd van € 56.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

2.6. Voorts betoogt de provincie dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval niet van haar gevergd kan worden dat zij voldoet aan de plichten die de Wav op werkgevers legt en sprake is van afwezigheid van alle schuld, aangezien de provincie niet op de hoogte was en kon zijn van de onderaanneming en het inzetten van Poolse arbeidskrachten. De Afdeling zal deze klacht beoordelen voor zover aan de provincie een boete is opgelegd van € 10.500 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav.

2.6.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van de Wav (Kamerstukken II 1999/00, 27 022, nr. 3, blz. 10/11) heeft de met de Wid in diverse wetten doorgevoerde wijzigingen inzake de identificatieplicht mede tot doel voor het toezicht en de opsporing van illegale tewerkstelling een instrument te bieden. Daarom is in de Wav de verplichting voor de feitelijk werkgever opgenomen om onverwijld een afschrift van het identiteitsdocument bij de formele werkgever op te vragen en de identiteit van de werkende te verifiëren en de identiteitsmiddelen op te nemen in de administratie. Tegenover deze verplichting van de feitelijk werkgever staat de verplichting van de werknemer om inzage te verlenen in een van de aangewezen identiteitsdocumenten.

2.6.2. Uit een bij het boeterapport gevoegd, op ambtsbelofte door twee inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakt rapport van horen van 19 juli 2005 blijkt dat, voor zover thans van belang, H.A. Timmerman, Provinciesecretaris/Voorzitter van de directie van de provincie, heeft verklaard dat er een toezichthouder/kantonnier is, die er op toeziet dat de aannemer zich houdt aan de voorwaarden die door de provincie zijn opgesteld. Zo ziet de toezichthouder onder andere toe op de veiligheidseisen voor de mensen en bijvoorbeeld op het plaatsen van verkeersborden, de manier van maaien en of de aannemer zich aan de specificaties houdt die in de opdracht zijn gesteld. De toezichthouder houdt geen toezicht op welke mensen de werkzaamheden verrichten, aldus Timmerman. De verantwoordelijkheid voor wat betreft alle aan de uitvoering van de werkzaamheden verbonden verplichtingen, waaronder de verplichtingen op grond van de Wav, ligt, zo heeft Timmerman verklaard, bij [aannemingsbedrijf].

2.6.3. Nu door een toezichthouder van de provincie toezicht is gehouden op de door [aannemingsbedrijf] verrichte werkzaamheden, bestaat geen grond voor het oordeel dat door de provincie niet ook kon worden voldaan aan de ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wav, op haar rustende verplichting. De provincie heeft dit nagelaten, zodat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld, als door de provincie betoogd.

Het betoog faalt.

2.6.4. De Afdeling ziet echter aanleiding de opgelegde boete voor zover opgelegd ter zake van overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav, te matigen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat volgens beleidsregel 6, zoals die sinds 21 juni 2006 luidt, bij een gedraging in strijd met artikel 15, tweede en/of derde lid, van de Wav, waarbij niet tevens ten aanzien van dezelfde of een andere vreemdeling een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav, wordt geconstateerd, de boete zal worden gematigd tot € 1.500 voor het totaal van deze beboetbare feiten.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de provincie voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 21 juli 2006 vernietigen. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 april 2007 in zaak nr. 06/1900;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van 21 juli 2006, kenmerk AI/JZ/2006/62970;

V. herroept het besluit van 7 februari 2006, kenmerk 070502701/03;

VI. bepaalt dat aan de provincie een boete wordt opgelegd van € 1.500 (zegge: vijftienhonderd euro) wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 februari 2006;

VIII. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de provincie in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan de provincie onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan de provincie het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008

382-487.