Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
200708959/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekenbaar ontbreken documenten / gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over reis doet niet af aan toerekenbaar afgeven documenten aan reisagent

Ter toelichting op zijn grief betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank miskent dat ter beoordeling staat in hoeverre het niet overleggen van documenten aan de vreemdeling kan worden toegerekend. Indien een vreemdeling gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt over zijn reis heeft hij daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet kan worden toegerekend. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat het in 2.1.3 weergegeven beleid inhoudt dat met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zich nog niet aannemelijk is gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend; daarvan is pas sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. De Afdeling acht deze uitleg, gezien de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en de in 2.1.3 genoemde onderdelen van de Vc 2000, in onderlinge samenhang bezien, niet onredelijk of anderszins onjuist.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/228
Ars Aequi RV20080011 met annotatie van H. Battjes

Uitspraak

200708959/1.

Datum uitspraak: 8 april 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/28392 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 19 november 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 november 2007, verzonden op 22 november 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 december 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te oordelen dat hij ten onrechte de in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) genoemde omstandigheid aanwezig heeft geacht aangezien hij niet in redelijkheid de vreemdeling het ontbreken van documenten met betrekking tot zijn reis, identiteit en asielrelaas heeft kunnen toerekenen, niet heeft onderkend dat samengevat weergegeven – de staatssecretaris heeft gehandeld volgens het in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) opgenomen beleid.

2.1.1. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat het ontbreken van documenten ten aanzien van zijn reis, identiteit en asielrelaas aan hem toerekenbaar is. Met betrekking tot de reis stelt de rechtbank vast dat eiser zeer concrete en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over zijn reis. Zo heeft hij tijdens het eerste gehoor verklaard over de tijd, datum en plaats van vertrek van het vliegtuig en over de datum en plaats van aankomst. Ook heeft hij een (vermoedelijk) vluchtnummer gegeven en verklaard dat het een directe vlucht was. De rechtbank ziet niet in hoe eiser meer gedetailleerd had kunnen verklaren en evenmin dat verweerder met deze gegevens eisers verklaringen niet had kunnen verifiëren. Dat hij het (valse) paspoort aan de reisagent heeft overhandigd en niet teruggevraagd, doet aan het voorgaande niet af. Voorts heeft eiser een identiteitsdocument overgelegd, waarvan de Koninklijke Marechaussee heeft geconcludeerd dat het waarschijnlijk een echt document betreft. Hiermee heeft eiser zijn identiteit aannemelijk gemaakt. Aan eiser is verder tegengeworpen dat hij geen documenten aangaande de relatie met [echtgenote], zoals een huwelijksakte, heeft overgelegd of documenten die bevestigen dat hij in de Evim-gevangenis werkzaam is geweest dan wel dat hij door de autoriteiten gezocht wordt. Zoals in de gronden van beroep is beargumenteerd, is in het identiteitsbewijs onder 'gegevens van echtgenote' vermeld dat dit [...] is. Gelet op het feit dat dit een 'waarschijnlijk echt' document is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank hiermee aannemelijk gemaakt dat hij met haar gehuwd is. Dat hij geen huwelijksakte heeft overgelegd, doet hier niet aan af. Voorts ziet de rechtbank niet met welke documenten eiser de familierelatie met de oom van zijn echtgenote, [echtgenote], zou moeten onderbouwen, noch hoe hij had moeten aantonen dat hij door de autoriteiten gezocht wordt."

2.1.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.1.3. Volgens onderdeel C4/3.6.2 van de Vc 2000 zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag de volgende elementen, en dus documenten die dit onderbouwen, van belang:

- de identiteit van de asielzoeker;

- de nationaliteit van de asielzoeker;

- de reisroute van de asielzoeker;

- het asielrelaas van de asielzoeker.

Volgens onderdeel C4/3.6.3 wordt, wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt documenten ontbreken, onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de desbetreffende asielzoeker is toe te rekenen. Indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van 'het toerekenbaar ontbreken van documenten'.

Voorts vermeldt dit onderdeel dat het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

Verder vermeldt onderdeel C4/3.6.3 als bijzonder aandachtspunt bij het ontbreken van documenten inzake de reis dat het in beginsel niet geloofwaardig is dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen en dat in het geval een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, hij blijk geeft van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.

2.1.4. Ter toelichting op zijn grief betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank miskent dat ter beoordeling staat in hoeverre het niet overleggen van documenten aan de vreemdeling kan worden toegerekend. Indien een vreemdeling gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt over zijn reis heeft hij daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet kan worden toegerekend. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat het in 2.1.3 weergegeven beleid inhoudt dat met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zich nog niet aannemelijk is gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend; daarvan is pas sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. De Afdeling acht deze uitleg, gezien de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en de in 2.1.3 genoemde onderdelen van de Vc 2000, in onderlinge samenhang bezien, niet onredelijk of anderszins onjuist.

2.1.5. De vreemdeling heeft verklaard dat hij samen met een reisagent, die over documenten voor hem beschikte, van Iran naar Nederland is gereisd. Deze documenten zijn bij de reisagent achtergebleven. De vreemdeling heeft niet gesteld dat hij niet over de documenten kon beschikken.

De staatssecretaris heeft onder deze omstandigheden niet ten onrechte met toepassing van het hiervoor weergegeven beleid het ontbreken van deze documenten aan de vreemdeling toegerekend. Derhalve heeft de staatssecretaris terecht geoordeeld dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Reeds hierom slaagt de grief.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De zaak zal met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank worden teruggewezen, om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 19 november 2007 in zaak nr. 07/28392;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door [de vreemdeling] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. De Groot

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008

210.

Verzonden: 8 april 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak