Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200704263/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 18 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) de ouders van kind [wederpartijen A], kind [wederpartijen B] en kind [wederpartijen C] (hierna: [wederpartijen]) voor het schooljaar 2005-2006 een vergoeding toegekend in de kosten van aangepast vervoer van hun kinderen naar de Cambier van Nootenschool te Tiel.

Wetsverwijzingen
Wet op de expertisecentra
Wet op de expertisecentra 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2008/40

Uitspraak

200704263/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Buren,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/4841, 06/4842 en 06/4843 van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2007 in het geding tussen:

[wederpartijen A],

[wederpartijen B] en

[wederpartijen C], allen wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 18 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) de ouders van kind [wederpartijen A], kind [wederpartijen B] en kind [wederpartijen C] (hierna: [wederpartijen]) voor het schooljaar 2005-2006 een vergoeding toegekend in de kosten van aangepast vervoer van hun kinderen naar de Cambier van Nootenschool te Tiel.

Bij afzonderlijke besluiten van 1 augustus 2006 heeft het college de daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 1 augustus 2006 vernietigd en bepaald dat het college nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2007.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door C. Aalders en G.R.F. Berends, beiden ambtenaar bij de gemeente, en [wederpartijen A], [wederpartijen B], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, voor zover thans van belang, verstrekt het college ten behoeve van schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

Ingevolge het vierde lid voorziet de regeling erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is. De regeling bepaalt op welke wijze het college ter zake advies van deskundigen inwint.

Ingevolge het negende lid kan de regeling bepalen dat de gemeente, in plaats van bekostiging in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.

De Verordening leerlingenvervoer gemeente Buren 2002 (hierna: de verordening) is de regeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voornoemd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, wordt onder aangepast vervoer verstaan: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

Ingevolge artikel 18, eerste lid en onder a, voor zover thans van belang, verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt indien de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken.

2.2. kind [wederpartijen B], 13 jaar oud en kind [wederpartijen C], 12 jaar oud, hebben het syndroom van Down. kind [wederpartijen A], 15 jaar oud, heeft een verstandelijke beperking in combinatie met autisme. Niet in geschil is dat zij voor hun vervoer naar de Cambier van Nootenschool te Tiel, een school voor speciaal onderwijs, zijn aangewezen op aangepast vervoer.

2.3. Bij afzonderlijke besluiten van 18 juli 2005 heeft het college [wederpartijen] voor het schooljaar 2005-2006 een vergoeding verstrekt voor de kosten van aangepast leerlingenvervoer in de vorm van een collectieve vervoersvoorziening. Die voorziening bestaat uit het vervoer van de kinderen in een grote bus met vijftig zitplaatsen.

Bij de besluiten op bezwaar heeft het college de daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat de aangeboden vervoersvoorziening als passend kan worden beschouwd, aangezien uit de ingewonnen adviezen blijkt dat er vanuit medisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen het vervoer van de kinderen in een grote bus, mits wordt voldaan aan de voorwaarde van één-op-één begeleiding. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het tot de verantwoordelijkheid van de ouders behoort om zorg te dragen voor de begeleiding van hun kind bij vervoer naar school.

De rechtbank heeft de door [wederpartijen] tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard. Daartoe heeft zij vastgesteld dat de voor de kinderen noodzakelijke één-op-één begeleiding niet door het college wordt verstrekt. Daargelaten de vraag of de verantwoordelijkheid voor het organiseren van begeleiding van hun kinderen tijdens het vervoer ook op de ouders rust indien het college het vervoer zelf verzorgt of doet verzorgen, heeft de rechtbank geoordeeld dat in dit geval niet van [wederpartijen] kan worden gevergd dat zij hun kinderen tijdens het vervoer begeleiden. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat deze begeleiding voor hen een totale reistijd van vier uur per dag zou betekenen, naast de eigen werkzaamheden en zorgtaken voor andere gezinsleden. In dit geval rust op [wederpartijen] een zodanig zware last dat de besluiten van 18 juli 2005 in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in bezwaar zijn gehandhaafd, aldus de rechtbank.

2.4. [wederpartijen] hebben hun hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak bij brief van 19 juli 2007 ingetrokken, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van de overweging van de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat vervoer per grote bus voor hun kinderen passend is indien daarbij één-op-één begeleiding plaatsvindt.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in redelijkheid niet van [wederpartijen] kan worden gevergd dat zij hun kinderen begeleiden tijdens het busvervoer naar school. Volgens het college heeft de rechtbank daarmee miskend dat de begeleiding van hun kinderen tijdens het aangepast schoolvervoer tot de verantwoordelijkheid van de ouders behoort. In dat verband wijst het college erop dat [wederpartijen] de begeleiding van hun kinderen, al dan niet in combinatie met henzelf, ook door anderen kunnen laten verzorgen en dat voor die begeleiding derhalve niet het college verantwoordelijk is.

2.5.1. Het college kan aangepast vervoer aanbieden in een aantal verschillende vervoersvormen, welke zijn genoemd in artikel 1, aanhef en onder h, van de verordening. Tezamen met het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, voorziet de verordening in het geval dat de leerling naar het oordeel van het college niet van het openbaar vervoer - ook niet onder begeleiding - gebruik kan maken, er in dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is, zoals is bepaald in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra. In het voorliggende geval heeft het college ervoor gekozen om aangepast vervoer te doen verzorgen in de vorm van busvervoer, waarbij plaats is voor maximaal vijftig personen. Hiermee biedt het college weliswaar aangepast vervoer aan in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de verordening, maar dit aanbod is niet als passend als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra voor de kinderen van [wederpartijen] aan te merken, nu daarbij niet is voorzien in de één-op-één begeleiding die voor de kinderen van [wederpartijen] onbetwist is vereist. Nu het college zelf de keuze heeft gemaakt voor die vervoersvorm die als passend kan worden aangemerkt indien daarbij één-op-één begeleiding plaatsvindt, brengt die keuze met zich, dat het ook op de weg van het college lag om in die begeleiding te voorzien. Als uitvloeisel van die keuze rust derhalve de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de kinderen tijdens het aangepast vervoer op het college en niet op [wederpartijen]. De Afdeling heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de verordening bij de regeling van de modaliteiten van aangepast vervoer van begeleiding van een leerling tijdens aangepast vervoer niet wordt gesproken. De rechtbank had, alvorens aan de gemaakte belangenafweging toe te komen, de vraag of het college de verantwoordelijkheid voor de begeleiding bij de ouders mocht leggen, moeten beantwoorden.

Aan dit oordeel doen de door het college ter zitting genoemde uitspraken van de toenmalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 2 december 1988 in zaak nr. R03.88.5983/S6492, 9 november 1989 in zaak nr. R03.89.5831/S6535, 25 april 1989 in zaak nr. R03.87.3373, 5 februari 1992 in zaak nr. R.03.90.1688, en 14 mei 1992 in zaak nr. R03.89.7315/P01, niet af, aangezien in die zaken, anders dan hier aan de orde, sprake was van een tegemoetkoming in de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van schoolbezoek. De rechtbank is derhalve, zij het ten onrechte op grond van de onevenredige last die de begeleiding van hun kinderen voor [wederpartijen] met zich zou brengen, terecht tot het oordeel gekomen dat de besluiten op bezwaar dienen te worden vernietigd.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. Het college dient opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van de gemeente Buren een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

47-496.