Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200705348/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007, nr. 2007REG001412i, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amersfoort (hierna: de raad) bij besluit van 17 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Hoogland 2002, herziening ex artikel 30 van de WRO (2006)".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/1287
Milieurecht Totaal 2008/4901
ABkort 2008/267

Uitspraak

200705348/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007, nr. 2007REG001412i, heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amersfoort (hierna: de raad) bij besluit van 17 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Hoogland 2002, herziening ex artikel 30 van de WRO (2006)".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2007, beroep ingesteld.

[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar [appellanten], bij monde van [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. van Gessel, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door N.J.M. Ludeking, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [partij B], vertegenwoordigd door G.G. Prinsen, werkzaam bij Prinsen Advies te Amersfoort.

2. Overwegingen

2.1. Behoudens in het geval als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en in het geval dat geen bedenkingen zijn ingebracht tegen het vastgestelde plan, welke gevallen zich hier niet voordoen, wordt ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gelezen in samenhang met artikel 28, tweede lid, van de WRO, een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen, indien binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan geen besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 10:29, tweede lid, van de Awb kan de goedkeuring niet worden ingetrokken.

2.1.1. De termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan liep af op 13 december 2006. Derhalve eindigde de vorenbedoelde termijn voor bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van dit plan op 13 juni 2007. Het besluit omtrent goedkeuring is evenwel eerst op 14 juni 2007 aan de raad verzonden. Gelet hierop is het plan ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 28, tweede lid, van de WRO, van rechtswege goedgekeurd. Door dit met de verzending op 14 juni 2007 van het besluit van 12 juni 2007 te vervangen, hetgeen neerkomt op een intrekking van de goedkeuring van rechtswege, is in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 10:29, tweede lid, van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond, zodat het besluit van 12 juni 2007 dient te worden vernietigd.

Het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen de goedkeuring van rechtswege.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellanten] stellen dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden", dat ziet op de gronden die ten zuidoosten grenzen aan het bouwblok betreffende het perceel [locatie], waarmee een terras bij het ter plaatse gevestigde café is toegelaten.

[appellanten] voeren onder meer aan dat ter zake van de mogelijke geluidsoverlast ten onrechte is verwezen naar de procedure omtrent de terrasvergunning. Zij stellen dat in het kader van het voorliggende plan had moeten worden beoordeeld of een dergelijke vergunning kan worden verleend en of het plan in zoverre uitvoerbaar is.

Voorts voeren zij aan dat de gronden voorheen illegaal als terras zijn gebruikt, hetgeen aanzienlijke geluidsoverlast heeft veroorzaakt, en dat daartegen handhavend is opgetreden door het gemeentebestuur. Ook voeren zij aan dat het college in het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Hoogland 2002" heeft gesteld dat het daarin opgenomen terras aan de noord- en westzijde van het café eventuele geluidsoverlast in belangrijke mate zal beperken. Het toelaten van een terras aan de noord- en westzijde is volgens [appellanten] beschouwd als een compromis tussen de belangen van de exploitant, die ten zuidoosten van het café een terras wenst te exploiteren, en de belangen van omwonenden.

Ten slotte voeren [appellanten] aan dat het gemeentelijke beleid is gericht op het weren van grootschalige horeca in woonwijken en op de concentratie van horeca in de binnenstad. Volgens hen heeft de raad niet gemotiveerd op grond waarvan in dit geval van dat beleid kan worden afgeweken.

2.4. Gelet op de motivering van het besluit van 12 juni 2007 acht het college het in geding zijnde plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht.

In dat besluit stemt het college in met het standpunt van de raad dat de bestemming "Horecadoeleinden" uitsluitend tot uitdrukking brengt dat ter plaatse niet mag worden gebouwd. Tegen deze bestemming bestaan volgens het college en de raad geen ruimtelijk relevante bezwaren. Daarbij acht het college van belang dat het café is gelegen in een binnenstedelijke omgeving, zodat het een terras op zichzelf vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar acht.

De vraag of een terrasvergunning kan worden verleend, dient volgens het college en de raad te worden beantwoord in het kader van de desbetreffende procedure.

2.5. In het bestemmingsplan "Hamseweg" was de bestemming "Woondoeleinden, categorie tuin (t)" toegekend aan de in geding zijnde gronden.

Bij besluit van 27 augustus 1998 heeft het gemeentebestuur de exploitant van het café op straffe van een dwangsom gelast de exploitatie van het terras in de tuin van het perceel [locatie] te staken. Daarbij heeft het gemeentebestuur betrokken dat het gebruik als terras tot een aantasting van het woon- en leefklimaat leidt en veel overlast voor omwonenden veroorzaakt.

2.6. Bij besluit van 2 oktober 2000 is een horeca-exploitatievergunning verleend voor het café, waarbij is bepaald dat in de tuin geen horecaterras is toegestaan.

2.7. In het voorliggende plan is aan de in geding zijnde gronden de bestemming "Horecadoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Hoogland 2002" zijn deze gronden bestemd voor bij horecavoorzieningen behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen en parkeervoorzieningen.

2.8. In de stukken en ter zitting hebben het college en de raad zich primair op het standpunt gesteld dat bezwaren met betrekking tot de eventuele geluidsoverlast van het terras aan de orde kunnen komen in het kader van de procedure omtrent het verlenen van een terrasvergunning.

Voorts is in de plantoelichting opgemerkt dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer geen belemmeringen oplevert voor het in geding zijnde plandeel. De Afdeling begrijpt dit aldus dat ingevolge dat besluit het stemgeluid van bezoekers op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van de inrichting, buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein. Deze bepaling is ook opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dat op 1 januari 2007 in werking is getreden.

De eventuele mogelijkheid om aan een terrasvergunning voorschriften te verbinden ter beperking van geluidsoverlast, alsmede de bepalingen in het voornoemde besluit, nemen echter niet weg dat dergelijke geluidhinder voor omwonenden in het kader van de vereiste belangenafweging dient te worden betrokken bij het besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan. Ten aanzien van de vraag of vanwege het toegelaten gebruik als terras een zodanige mate van geluidhinder kan worden verwacht dat daardoor een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op het woon- en leefklimaat van omwonenden, kon derhalve niet worden volstaan met de stelling dat dit aspect in het kader van de terrasvergunning zal worden beoordeeld. Dit klemt te meer nu eerder op grond van het destijds geldende bestemmingsplan door het gemeentebestuur handhavend is opgetreden tegen het illegale gebruik van de in geding zijnde gronden als terras in verband met geluidsoverlast voor omwonenden. In het kader van de voorliggende procedure is echter niet bezien of dit gebruik, anders dan het gemeentebestuur ten tijde van het besluit omtrent handhaving meende, thans niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden.

2.8.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. De goedkeuring van rechtswege is derhalve op dit punt in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond, zodat de goedkeuring van rechtswege dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" dat ziet op de gronden die ten zuidoosten grenzen aan het bouwblok betreffende het perceel [locatie]. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Hetgeen [appellanten] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Dienaangaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor vergoeding van de gestelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, nu het beroepschrift door [appellanten] op eigen titel is ingediend en ook overige proceshandelingen niet zijn uitgevoerd door een rechtshulpverlener. Voorts komen de gestelde kosten van een in opdracht opgesteld deskundigenrapport niet voor vergoeding in aanmerking, omdat een dergelijk deskundigenrapport niet is neergelegd in een schriftelijk verslag, althans een dergelijk verslag niet door [appellanten] aan het dossier is toegevoegd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt:

(A) het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 12 juni 2007, nr. 2007REG001412i, en

(B) de goedkeuring van rechtswege, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" betreffende de gronden ten zuidoosten grenzend aan bouwblok betreffende het perceel [locatie];

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II, onder (B) genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat onderdeel III van deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II, onder (B) genoemde besluitonderdeel;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 26,28 (zegge: zesentwintig euro en achtentwintig cent); het dient door de provincie Utrecht aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Utrecht aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

177-516.