Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200706636/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:BB2123, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: het college) een verzoek om vergoeding van planschade van [appellant] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/412
NJB 2008, 988
Gst. 2008, 82
Module Ruimtelijke ordening 2008/4801
O&A 2008, 77

Uitspraak

200706636/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/313 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: het college) een verzoek om vergoeding van planschade van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2007, verzonden op 6 augustus 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 14 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] is eigenaar van de woning, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Hij heeft verzocht om vergoeding van planschade in de vorm van waardevermindering van de woning als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan "Meliepark", dat voorziet in de bouw van een villawijk. Dit plan is op 19 maart 1999 in werking getreden.

2.3. Het college heeft aan het besluit van 23 mei 2006, onder verwijzing naar het door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken uitgebrachte advies, ten grondslag gelegd dat - samengevat weergegeven - een verzoeker slechts gerechtigde in een planschadeprocedure is, indien deze op de datum van de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische mutatie eigenaar of zakelijk gerechtigde van de getroffen zaak is. Nu [appellant] eerst op 2 april 1999 de juridische eigendom van de woning heeft verkregen, is hij geen gerechtigde in de procedure om planschadevergoeding, aldus het college. Om die reden heeft het college het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college, onder verwijzing naar het desbetreffende advies van de bezwaarschriftencommissie, ten grondslag gelegd dat [appellant] op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet in een zakenrechtelijke rechtsbetrekking tot de woning stond en dat hij daarom geen belanghebbende is bij zijn verzoek om vergoeding van planschade. Omdat het voor de indiening van een bezwaarschrift noodzakelijk is als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt en [appellant] niet aan de eis van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voldoet, kon hij tegen de afwijzing van zijn verzoek geen bezwaar maken, aldus het college.

De rechtbank heeft het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij - samengevat weergegeven - overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de eigendomsoverdracht van de woning eerst na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden en dat [appellant] daarom niet als belanghebbende bij zijn verzoek om vergoeding van planschade kan worden beschouwd.

2.4. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat hij geen belanghebbende is bij zijn verzoek om vergoeding van planschade. De rechtbank heeft niet onderkend dat [appellant] ten tijde van het indienen van zijn verzoek eigenaar van de woning was en derhalve wel belanghebbende bij een besluit van het college op dat verzoek. Tegen het besluit op het verzoek kon [appellant] ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, bezwaar maken.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingplan nog geen eigenaar was van de woning. Daartoe voert hij aan dat de koopovereenkomst voor deze woning reeds op 28 december 1998 is getekend, waardoor hij vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan al gerechtigd was tot het object. Ook betaalde hij toen reeds overdrachtsbelasting en beschikte hij vanaf begin maart 1999 over de sleutel van de woning. Verder stelt hij dat hij vanwege een akte van cessie tussen hem en de verkoper van de woning gerechtigd is het verzoek in te dienen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 maart 2005 in zaak nr. 200400527/1), kan onder de criteria voor planschade uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen waardevermindering van onroerend goed waarvan de verzoeker eigenaar is ten tijde van de peildatum. Alleen degene die op de peildatum de formeel juridische eigenaar is, kan door een planologische wijziging rechtstreeks in zijn vermogen worden getroffen. Bepalend is de formele juridische overdracht, conform de daarvoor geldende wettelijke eisen. Aan het sluiten van een obligatoire overeenkomst komt hierbij geen betekenis toe.

Vast staat dat de woning op 2 april 1999 bij de voor eigendomsoverdracht vereiste notariële akte aan [appellant] is geleverd. De eigendom van de woning is niet op een eerder tijdstip op [appellant] overgegaan als gevolg van de door hem aangevoerde omstandigheden die dateren van vóór de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Op de peildatum was hij derhalve nog geen eigenaar van de woning. De door [appellant] beweerdelijk geleden schade is dan ook niet het gevolg van het bestemmingsplan, zodat het college - beslissend krachtens delegatie van de gemeenteraad - diens verzoek terecht heeft afgewezen.

2.6. Uit hetgeen onder 2.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Anders dan [appellant] heeft verzocht, zal de Afdeling de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank. De rechtbank heeft immers al over de materiële beroepsgronden geoordeeld, maar is op grond van haar materiële oordeel ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 19 december 2006 vernietigen. De Afdeling ziet in hetgeen is overwogen onder 2.5.1 aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2006 alsnog ongegrond verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2007 in zaak nr. 07/313;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 19 december 2006, kenmerk 96099409BZWR0002;

V. verklaart het bezwaar tegen het besluit van het college van 23 mei 2006 alsnog ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heusden aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de gemeente Heusden aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

18-496.