Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200706146/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de ventilatieopening in de zijgevel van de woning op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2008/317

Uitspraak

200706146/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3386 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 juli 2007 in het geding tussen:

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de ventilatieopening in de zijgevel van de woning op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2007, verzonden op 30 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2008, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. Kepers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhavend optreden tegen de ventilatieopening voor zover deze niet voldoet aan artikel 3.52, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003.

2.2. Ingevolge artikel 3.52, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003, voor zover thans van belang, liggen een instroomopening en een uitstroomopening van een voorziening voor luchtverversing, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, op een afstand van ten minste twee meter van de perceelsgrens.

2.3. Vaststaat dat de ventilatieopening is aangebracht in een op de perceelsgrens staande zijgevel van de woning. [appellant] is eigenaar van de naastgelegen woning.

2.4. Nu gehandeld is in strijd met artikel 3.52, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003, kon het college ter zake handhavend optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan kon worden afgezien. Daartoe voert hij aan dat de ventilatieopening op eenvoudige wijze te verplaatsen is en dat sinds 1997 sprake is van een intensivering van de overlast als gevolg van de ventilatieopening.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het feit dat de ventilatieopening zich al jaren in de zijgevel van de woning bevindt en dat een voor de ventilatieopening staande struik verhindert dat de uit de ventilatieopening komende lucht wordt geblazen in de richting van de woning van [appellant], geen omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden kon afzien.

Artikel 3.52, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003 strekt ertoe om (stank)overlast tussen naburige percelen te voorkomen. Deze doelstelling wordt in het voorliggende geval niet gerealiseerd. [appellant] heeft gesteld dat hij (stank)overlast van de ventilatieopening ondervindt en dat deze overlast sinds 1997 is toegenomen door de plaatsing van een kanaalventilator achter de ventilatieopening. Ter zitting is gebleken dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de door [appellant] gestelde (stank)overlast. Voorts is gebleken dat het college evenmin onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden en kosten van ongedaanmaking van de overtreding. Gelet hierop kon het college zich zonder het verrichten van nader onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat op grond van bijzondere omstandigheden van handhavend optreden kon worden afgezien. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 september 2006 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 juli 2007 in zaak nr. 06/3386, voor zover aangevallen;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 4 september 2006 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 4 september 2006, kenmerk JZ&IV 06UIT20420;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 49,71 (zegge: negenenveertig euro en éénenzeventig eurocent); het dient door de gemeente Eindhoven aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Eindhoven aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 425,00 (zegge: vierhonderdvijfentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

328-531.