Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200705858/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland (hierna: het college) aan Woningbouwvereniging Nieuw-Lekkerland (hierna: de woningbouwvereniging) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van veertien eengezinswoningen en twee appartementsgebouwen op het perceel Middelweg 77-155 te Nieuw-Lekkerland (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705858/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/383 van de rechtbank Dordrecht van 6 juli 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland (hierna: het college) aan Woningbouwvereniging Nieuw-Lekkerland (hierna: de woningbouwvereniging) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van veertien eengezinswoningen en twee appartementsgebouwen op het perceel Middelweg 77-155 te Nieuw-Lekkerland (hierna: het perceel).

Bij besluit, verzonden op 31 januari 2006, heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2006 vernietigd en het tegen het besluit van 28 juni 2005 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2007.

De woningbouwvereniging is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen en heeft een reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2008, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.P. van der Stek, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de woningbouwvereniging, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Manen, advocaat te Sliedrecht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hun bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2005 niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, omdat de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar was verstreken.

2.2.1. Het besluit van 28 juni 2005 is op 11 juli 2005 aan de woningbouwvereniging verzonden en derhalve op die dag bekendgemaakt. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aangevangen op 12 juli 2005 en geëindigd op 22 augustus 2005 om 24.00 uur. Het door [appellanten] ingediende bezwaarschrift heeft een ontvangststempel met de datum 24 augustus 2005.

Volgens [appellanten] is het bezwaarschrift tijdig ingediend. Zij hebben in dit kader - gestaafd met een verklaring van [naam] - gesteld dat het bezwaarschrift op 22 augustus 2005 na sluitingstijd in de brievenbus van het gemeentehuis is gedeponeerd.

Uit de door het college beschreven procedure voor postverwerking volgt dat post die na sluitingstijd in de brievenbus is gedeponeerd de volgende ochtend rond 09.00 uur uit de bus wordt gehaald en een stempel met de datum van die dag krijgt. Nu het door [appellanten] ingediende bezwaarschrift een ontvangststempel met de datum 24 augustus 2005 heeft, zou volgens het college het bezwaarschrift niet eerder dan 23 augustus 2005 in de brievenbus kunnen zijn gedeponeerd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200604021/1 moet er, wanneer een bezwaarschrift niet wordt verzonden naar de betrokken instantie, maar door de indiener zelf wordt bezorgd, in beginsel van uit worden gegaan dat dit geschrift bij die instantie is ingekomen op de datum die is vermeld op het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien de indiener aannemelijk maakt dat het geschrift eerder is binnengekomen.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat door [appellanten] niet aannemelijk is gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig in de brievenbus van het gemeentehuis is gedeponeerd. Voor het betoog van [appellanten] dat de door het college geschetste procedure van postverwerking onduidelijk is en tevens niet juist is toegepast, is in de aanwezige stukken geen aanknopingspunt gevonden. Nu [naam] één van de bezwaarmakers is, is met zijn verklaring evenmin aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Voor zover [appellanten] betogen dat hun bezwaarschrift tijdig is ingediend omdat naast de ontvangststempel met de datum 24 augustus 2005 een andere stempel met de datum 22 augustus 2005 is weggelakt, heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat deze andere stempel per abuis op het bezwaarschrift is aangebracht.

2.2.2. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellanten] geen beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb toekomt. Niet is gebleken van een onjuiste of onduidelijke rechtsmiddelenverwijzing in de aan [appellanten] gezonden brief van 12 juli 2005, waarin het besluit van 28 juni 2005 aan hen is bekendgemaakt. Bij die brief is naast het besluit van 28 juni 2005, de bekendmakingsbrief aan de woningbouwvereniging, met als vermelde verzenddatum 11 juli 2005, meegestuurd. Dat [appellanten] ervan zijn uitgegaan dat als verzenddatum de verzenddatum van de brief van12 juli 2005 gold of de datum van het weekblad de Klaroen van 13 juli 2005, waarin het besluit van 28 juni 2005 is gepubliceerd, kan niet leiden tot een ander oordeel.

2.2.3. [appellanten] betogen dat het oordeel van de rechtbank, dat het college hun bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, in strijd is met het recht op een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij voeren daartoe uitsluitend aan dat zij zich niet hebben laten bijstaan door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener en de Awb hiertoe ook niet verplicht. Het is echter de eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen om zich al dan niet te laten bijstaan door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Derhalve slaagt het betoog niet.

2.2.4. De rechtbank is derhalve tot het juiste oordeel gekomen dat het bezwaar van [appellanten] tegen het besluit van 28 juni 2005 niet-ontvankelijk is. Het betoog van [appellanten] faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

414-552.