Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200705564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) bestuursdwang aangezegd indien appellante de zonder bouwvergunning aangebrachte aanbouw en terrasvlonder op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel) niet binnen zes weken verwijdert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705564/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/4041 en 07/4042 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) bestuursdwang aangezegd indien appellante de zonder bouwvergunning aangebrachte aanbouw en terrasvlonder op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel) niet binnen zes weken verwijdert.

Bij besluit van 24 april 2007 heeft college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2007, verzonden op 3 juli 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) in de bodemzaak het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2008, waar [gemachtigde] namens [appellante] is verschenen, bijgestaan door J.L. van Brecht. Namens het college is mr. E. Veldman, ambtenaar in dienst van de gemeente, verschenen.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat [appellante] de berging en de terrasvlonder zonder de daarvoor vereiste bouwvergunningen heeft aangebracht. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid bestuurlijke handhavingsmaatregelen kon treffen omdat zij ten gevolge van de plaatsing van de woonwagen op het opstelvlak door het college geen berging in overeenstemming met het bestemmingsplan kan realiseren. Aan de omstandigheid dat de woonwagen op een bepaalde wijze door het college op het opstelvlak is geplaatst kan [appellante] immers niet het recht ontlenen om in strijd met het bestemmingsplan te bouwen.

Derhalve is in haar betoog geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het treffen van handhavingsmaatregelen. Dat de berging voldoet aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit, naar [appellante] stelt, biedt daarvoor evenmin grond.

2.4. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat er wat de terrasvlonder betreft zicht op legalisatie bestond. Zij stelt daartoe dat zij ten tijde van de oprichting van de terrasvlonder ervan mocht uitgaan dat deze vanwege de hoogte van 0,8 m in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan "Wateringse Veld" en derhalve onder het overgangsrecht van het thans geldende bestemmingsplan "Voorschriften bestemmingsplan Woonwagenlocaties" valt.

2.5. Het betoog faalt. Vast staat de terrasvlonder in strijd is met het geldende bestemmingplan. Als het beroep van [appellante] op het overgangsrecht al zou slagen, dan verschaft dat, anders dan zij kennelijk veronderstelt, geen bouwvergunning vervangende titel; een bouwvergunning blijft vereist. Aangezien een dergelijke vergunning niet is aangevraagd en bovendien onzeker is of [appellante] met succes een beroep op overgangsrecht kan doen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er wat de terrasvlonder betreft geen concreet zicht op legalisatie bestond.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld aangezien voor andere bergingen op het woonwagenterrein wel bouwvergunning is verleend en dus geen bestuursdwang is aangezegd.

2.6.1. Dit betoog faalt. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 februari 2006 heeft het college geweigerd aan [appellante] een bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de bergruimte bij de woonwagen.

Bij uitspraak van 22 maart 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 10 juli 2006, strekkende tot ongegrondverklaring van haar bezwaar, ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is in rechte onaantastbaar. Nu in de door [appellante] bedoelde gevallen wel bouwvergunning is verleend, kan in de omstandigheid dat daartegen niet handhavend wordt opgetreden geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het college ook thans niet in redelijkheid tot handhavend optreden kon overgaan. Het betreft immers geen gelijke gevallen. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden overwogen dat het college daarin geen aanleiding moest zien om het treffen van handhavingsmaatregelen achterwege te laten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

163.