Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200705540/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2006 heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/411

Uitspraak

200705540/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Leidschendam-Voorburg,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/8462 van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2006 heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft de gemeenteraad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2007, verzonden op 17 juli 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2008, waar [appellant] en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door C.M.P. van Noort en F. Idder, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] heeft, naar hij ter zitting heeft bevestigd, in december 1996 de woning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Voorburg, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gekocht. Hij heeft aan de gemeenteraad om vergoeding van planschade verzocht, omdat hij, naar hij stelt, schade lijdt ten gevolge van het bestemmingsplan "Sijtwende" uit 2001 en het "Wijzigingsplan I, deelgebied 5, Sijtwende" (hierna: het wijzigingsplan) uit 2003, op grond waarvan de bouw van de zogenoemde Vlietappartementen mogelijk is.

2.3. De gemeenteraad heeft het verzoek van [appellant] ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). De SAOZ heeft in haar advies van 16 november 2005 gesteld dat alleen het bestemmingsplan "Sijtwende", dat op 27 september 2001 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Voorburg is vastgesteld en op 14 mei 2002 door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) is goedgekeurd, heeft geleid tot een voor [appellant] planologisch nadeliger positie waaruit ingevolge artikel 49 van de WRO voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid en dat het wijzigingsplan daarin geen verandering heeft gebracht. [appellant] heeft dit niet betwist. Volgens de SAOZ dient het verzoek van [appellant] echter te worden afgewezen, omdat ten tijde van de aankoop van zijn woning het bestemmingsplan "Sijtwende 1996" reeds door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Voorburg was vastgesteld en [appellant] derhalve op de hoogte had kunnen zijn van de daarin voorgenomen ontwikkeling van woningen op de gronden ten oosten en ten noordoosten van het perceel.

De gemeenteraad heeft het advies van de SAOZ ten grondslag gelegd aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van het verzoek om planschadevergoeding.

2.4. In geschil is uitsluitend de vraag of de schade die [appellant] ten gevolge van het bestemmingsplan "Sijtwende" heeft geleden, voorzienbaar was en of de planschade voor zijn rekening diende te blijven. Of sprake is van voorzienbaarheid moet, naar onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001 in zaak nr. 200005612/1 (AB 2001, 379), waarnaar de rechtbank terecht heeft verwezen, worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

2.5. [appellant] betwist niet dat hij ten tijde van de koop van zijn woning op het perceel kon voorzien dat de planologische situatie in de nabijheid van het perceel zou wijzigen in een voor hem nadelige zin. Hij betoogt echter - samengevat weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte niet van belang heeft geacht dat het bestemmingsplan "Sijtwende 1996" dat die wijziging mogelijk maakte niet onherroepelijk is geworden, nu de Afdeling bij uitspraak van 8 april 1999 in zaak nr. E01.96.0460 het besluit van het college van 16 juli 1996, voor zover daarbij is besloten over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Sijtwende 1996", heeft vernietigd en alsnog goedkeuring aan dat plan heeft onthouden. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte niet onderkend dat op grond van die uitspraak de planschade niet meer voor zijn rekening diende te blijven. In dit verband voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte de voorzienbaarheid heeft gekoppeld aan het op 28 maart 1996 vastgestelde bestemmingsplan "Sijtwende 1996", terwijl hij ten gevolge van het vigerende bestemmingsplan "Sijtwende" schade heeft geleden.

2.5.1. Ten tijde van de aankoop van het perceel in december 1996 was het bestemmingsplan "Sijtwende 1996" reeds vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorzag in de ontwikkeling van woningen ten oosten en ten noordoosten van het perceel, terwijl die gronden ingevolge het voorheen geldende uitbreidingsplan "Damsigt" waren bestemd voor "openbaar groen", "openbare straat", "terrein voor geprojecteerde rijksweg" en "terreinen voor bijzondere doeleinden". Op het moment dat [appellant] zijn woning kocht, bestonden reeds voldoende concrete en openbaar gemaakte beleidsvoornemens waarin hij aanleiding had kunnen en moeten zien om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in voor hem ongunstige zin zou veranderen. De voor [appellant] nadelige planologische ontwikkelingen, die uiteindelijk hun beslag hebben gekregen in het bestemmingsplan "Sijtwende", waren ten tijde van de aankoop van zijn woning dan ook voorzienbaar. Dat nadien bij de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 april 1999 aan het bestemmingsplan "Sijtwende 1996" goedkeuring is onthouden en dit plan niet onherroepelijk is geworden, is niet van belang voor het antwoord op de vraag of de nadelige planologische ontwikkelingen voor [appellant] voorzienbaar waren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 november 2004 in zaak nr. 200400692/1), dient de voorzienbaarheid immers te worden vastgesteld op het moment van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak.

De rechtbank heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste uitleg van de jurisprudentie van de Afdeling en heeft het beroep van [appellant] terecht en op goede gronden ongegrond verklaard.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

164-505.