Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200705231/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) aan [appellant sub 2] een tijdelijke gedoogbeschikking verleend voor de trappenfabriek op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705231/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/2548 en 06/2556 van de rechtbank Leeuwarden van 18 juni 2007 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) aan [appellant sub 2] een tijdelijke gedoogbeschikking verleend voor de trappenfabriek op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij brieven van 17 oktober 2006 heeft het college [appellant sub 2] en [appellant sub 1] medegedeeld dat het de door hen tegen het besluit van 6 januari 2005 gemaakte bezwaren gegrond heeft verklaard. De trappenfabriek valt naar de mening van het college onder het overgangsrecht en daarom acht het college het niet meer nodig om een gedoogbeschikking te verlenen.

Bij uitspraak van 18 juni 2007, verzonden op 19 juni 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2007, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2007. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2008, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door D.W. Bethlehem, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen tevergeefs dat de rechtbank hun beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.1.2. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het college de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 6 januari 2005 gegrond verklaard. Aangezien hetgeen het college wenste te gedogen al was toegestaan op grond van het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen nieuw besluit behoefde te worden genomen.

Het college heeft voorts vermeld welk gebruik zijns inziens onder het overgangsrecht valt. De bij de rechtbank ingestelde beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richtten zich uitsluitend tegen deze standpuntbepaling. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 juli 2005 in zaak nr. 200501145/1 en van 17 mei 2006 in zaak nr. 200506293/1, terecht overwogen dat een oordeel over het gebruik van een perceel en de vraag of dit gebruik al dan niet onder de werking van het overgangsrecht valt in de regel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft deze beroepen derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

17-499.