Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9577

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200705748/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2007, nr. 1136966, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van artikel 5 van de voorschriften van het door de raad van de gemeente Halderberge (hierna: de raad) bij besluit van 22 september 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Revitalisering Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705748/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2007, nr. 1136966, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van artikel 5 van de voorschriften van het door de raad van de gemeente Halderberge (hierna: de raad) bij besluit van 22 september 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Revitalisering Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar [appellanten] zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Timmermans en ing. R.J.A. Verstraten, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Bij het eerdere besluit omtrent goedkeuring van 21 maart 2006 had het college, voor zover hier van belang, goedkeuring onthouden aan artikel 5 van de planvoorschriften. Daarbij stelde het college zich op het standpunt dat in deze bepaling, waarmee vrijstelling kan worden verleend voor opslagactiviteiten als nevenactiviteit bij bestaande agrarische bedrijven in het buitengebied, ten onrechte geen beperking is gesteld aan de aard van de goederen die mogen worden opgeslagen. In zoverre achtte het college deze bepaling in strijd met het beleid zoals opgenomen in de provinciale Beleidsnota "Buitengebied in ontwikkeling" (hierna: de Beleidsnota), omdat op grond daarvan nevenfuncties als vervolgfuncties worden beoordeeld en daarin is neergelegd dat, onder bepaalde voorwaarden, slechts statische opslagactiviteiten als vervolgfunctie zijn toegelaten.

2.3. In de uitspraak van 14 februari 2007, in zaak nr. 200603628/1, heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"Blijkens de Beleidsnota en het verhandelde ter zitting is met de Beleidsnota slechts de opslag van naar hun aard statische goederen als nevenfunctie van het agrarisch bedrijf toegestaan, omdat verweerder de opslag van niet-statische goederen in het buitengebied in verband met de verkeersaantrekkende werking ervan onwenselijk acht.

Indien opslag ten dienste van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is uitgesloten, de opslag beperkt blijft tot maximaal 1000 m² per agrarisch bouwblok en de effecten op de mobiliteit beperkt dienen te zijn, volgt uit het in de Beleidsnota neergelegde beleid, dat materieel alleen opslag ten dienste van particulieren dient te worden toegelaten. Gelet hierop is de verkeersaantrekkende werking van de opslag beperkt. In dat licht is onvoldoende onderbouwd dat de beperking van de opslag tot naar hun aard statische goederen zelfstandige betekenis heeft. Het beleid om de opslag als nevenactiviteit in het kader van het hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties te beperken tot opslag van particulieren acht de Afdeling niet onredelijk. Nu verweerder echter getoetst heeft aan een voorwaarde die zelfstandige betekenis lijkt te missen, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd."

2.4. Blijkens artikel 1 van de planvoorschriften omvat het plan een aanvulling dan wel herziening van de voorschriften van verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Halderberge.

Ingevolge artikel 5 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de in artikel 1 genoemde plannen ten behoeve van opslagactiviteiten als nevenactiviteit bij een bestaand agrarisch bedrijf onder de navolgende voorwaarden […].

2.5. In het voorliggende besluit stelt het college zich op het standpunt dat, gelet op de formulering van het beleid in de Beleidsnota, 'materieel gezien' alleen opslag ten behoeve van particulieren wordt toegelaten. Door de beperkende voorwaarden die op grond van de Beleidsnota aan opslag worden verbonden, komt volgens het college geen zelfstandige betekenis toe aan de beperking tot 'naar hun aard statische goederen'. Derhalve acht het college het niet langer noodzakelijk om vast te houden aan de desbetreffende voorwaarde in de Beleidsnota, die niet tevens is opgenomen in artikel 5 van de planvoorschriften, en heeft het college goedkeuring verleend aan deze bepaling.

2.6. [appellanten] betogen dat zij ten onrechte niet opnieuw zijn gehoord en niet persoonlijk in kennis zijn gesteld van het bestreden besluit. Daarnaast voeren zij aan dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de door hen ingebrachte bedenkingen tegen het plan.

Voorts stellen [appellanten] dat het college ten onrechte zonder nadere motivering heeft gesteld dat geen zelfstandige betekenis toekomt aan de beperking tot opslag van 'naar hun aard statische goederen' in de Beleidsnota. Daartoe voeren zij aan dat in artikel 5 van de planvoorschriften niet uitdrukkelijk een beperking tot opslag voor particulieren is opgenomen. Volgens hen is op grond van het plan ook de opslag ten behoeve van elders gevestigde agrarische bedrijven toegelaten, zodat nevenvestigingen van agrarische bedrijven kunnen ontstaan, hetgeen volgens hen met de Beleidsnota niet is beoogd. Gelet hierop komt volgens hen wél zelfstandige betekenis toe aan de beperking tot 'naar hun aard statische goederen'. Voorts stellen zij dat daarmee in belangrijke mate wordt verzekerd dat het aantal verkeersbewegingen beperkt blijft. Omdat de in artikel 5 opgenomen voorwaarde dat de effecten op de mobiliteit beperkt zijn, volgens hen niet voldoende objectief is bepaald, is die beperking tot 'naar hun aard statische goederen' volgens hen van belang.

2.7. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.7.1. Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, stellen gedeputeerde staten degenen die tijdig bedenkingen hebben ingebracht tegen het plan, in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

[appellanten] hebben tijdig tegen het plan bedenkingen ingebracht. Blijkens het besluit van 21 maart 2006 zijn zij in de gelegenheid gesteld om op 16 januari 2006 hun standpunt nader mondeling toe te lichten op een hoorzitting, doch hebben zij van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 12 november 2003, in zaak nr. 200304300/1, is in artikel 27, derde lid, van de WRO geen algemene verplichting opgenomen om, na vernietiging van het eerdere besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan, opnieuw de gelegenheid te bieden tot het geven van een nadere mondelinge toelichting op de schriftelijk ingediende bedenkingen. [appellanten] hebben niet aangevoerd dat zich na het besluit van 21 maart 2006 zodanige nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan dat, met het oog op een zorgvuldige besluitvorming, de noodzaak voor het college zou bestaan om hun opnieuw de gelegenheid te bieden hun bedenkingen nader mondeling toe te lichten. Dit betoog faalt derhalve.

2.7.2. Ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de WRO, voor zover hier van belang, doen gedeputeerde staten mededeling van hun besluit door toezending van een afschrift aan hen die bedenkingen hebben ingebracht. Het college heeft niet bestreden dat het heeft nagelaten om voornoemde mededeling aan [appellanten] te doen. De desbetreffende beroepsgrond heeft echter betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten en kan derhalve geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.7.3. In hun bedenkingen hebben [appellanten] aangevoerd dat ten onrechte op grond van het plan ook niet-statische opslag kan worden toegelaten. Dienaangaande heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2007, in het bestreden besluit opnieuw een standpunt ingenomen, zodat het college in zoverre opnieuw op deze bedenkingen heeft beslist.

[appellanten] hebben in hun bedenkingen echter ook aangevoerd dat de vrijstellingsregeling in artikel 5 van de planvoorschriften ten onrechte van toepassing is op alle bestemmingsplannen voor het buitengebied die met het plan worden aangevuld dan wel worden herzien. Zij stellen dat opslag als nevenactiviteit slechts in uitzonderingssituaties dient te worden toegelaten, waarvoor een procedure omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO volgens hen in de rede ligt. Voorts hebben [appellanten] in hun bedenkingen nog aangevoerd dat de voorwaarde dat de effecten op de mobiliteit beperkt zijn, onvoldoende bepaald is en in strijd is met de rechtszekerheid. Deze bedenkingen zijn in het bestreden besluit echter onbesproken gebleven, zodat het college daarover geen kenbare nieuwe beslissing heeft genomen. Ook anderszins is het college niet ingegaan op deze onderwerpen. In het bestreden besluit is slechts ingegaan op hetgeen in de uitspraak van 14 februari 2007 door de Afdeling is overwogen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellanten] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 juni 2007, nr. 1136966;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro); geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

177-516.