Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200801099/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) verklaard het door [vergunninghouder] zonder de daarvoor ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning in werking hebben van een inrichting op het adres [locatie] te [plaats] te gedogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200801099/2.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], en anderen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) verklaard het door [vergunninghouder] zonder de daarvoor ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning in werking hebben van een inrichting op het adres [locatie] te [plaats] te gedogen.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2008, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 maart 2008, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door [verzoeker] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Ayal, ir. L.P.M. Hertsing en J.E. te Pas, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Tevens is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Alpen aan den Rijn, vertegenwoordigd door ing. E. de Groot en ing. H. Verkuil, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij uitspraak van de Afdeling van 22 december 2004 in zaak nr. 200403996/1 is een besluit van het college vernietigd, strekkende tot verlening van een vergunning aan [vergunninghouder] voor een inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van onder meer oud ijzer, gereinigde oude olietanks, autowrakken en andere oude metalen. Het besluit werd vernietigd omdat ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting, tezamen met het in werking zijn van andere inrichtingen op het gezoneerde industrieterrein, een grotere geluidbelasting dan 50 dB(A) op de zonegrens optrad.

2.3. Niet in geschil is dat de inrichting van [vergunninghouder] in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer zonder vergunning in werking is, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. Het college heeft het gedoogbesluit van 13 december 2007 doen steunen op de overweging dat sprake is van concreet uitzicht op legalisatie, omdat de gemeente Alphen aan den Rijn een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan heeft ingezet waardoor de zonegrens wordt gewijzigd, waarna verlening van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer mogelijk zou zijn. Aan het gedoogbesluit zijn voorwaarden verbonden. Het gedoogbesluit is geldig voor de termijn van maximaal een jaar, of korter indien eerder een vergunning kan worden verleend.

2.6. Volgens [verzoekers] is het gedoogbesluit ten onrechte genomen omdat niet aan de aan het gedoogbesluit verbonden geluidvoorwaarden zal kunnen worden voldaan. Ook is volgens hen geen zicht op legalisatie, omdat de inrichting de hoogst toelaatbare geluidbelasting zal blijven overschrijden. Zij voeren in dat verband onder meer aan dat de geluidberekeningen volgens hen niet kloppen, dat de kwalificatie "bijzondere bedrijfssituatie" huns inziens ten onrechte wordt toegepast op het verwerken van zwaar schroot, en dat huns inziens ten onrechte op de geluidbelasting vanwege de inrichting geen toeslag van 5 dB(A) in rekening is gebracht voor impulsachtig geluid door het kletteren van metaal. Ook zou volgens hen de wijziging van de zonegrens voorlopig nog niet in werking treden.

2.7. De voorzitter overweegt dat de Afdeling met de uitspraak van 22 december 2004 het besluit tot vergunningverlening aan [vergunninghouder] heeft vernietigd vanwege overschrijding van de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de zonegrens. In zoverre is het, nu wijziging van de zonegrens wordt voorbereid, niet onaannemelijk dat na deze wijziging alsnog een vergunning kan worden verleend. De door [verzoekers] naar voren gebrachte gronden vergen nader onderzoek, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Hoewel niet valt uit te sluiten dat een deel van deze gronden op zichzelf steekhoudend is heeft de voorzitter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat zicht op legalisatie bestaat.

De voorzitter overweegt voorts dat bij het gedoogbesluit voorwaarden zijn gesteld teneinde een toereikend beschermingsniveau tegen geluidhinder te bieden, en dat [verzoekers] het college kunnen verzoeken handhavend op te treden indien deze voorwaarden worden overtreden. Gelet hierop is er naar het oordeel van de voorzitter, alle belangen afwegende, aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

195-539.