Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200800627/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een verandering van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KEMA Nederland B.V. (hierna: KEMA).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/467

Uitspraak

200800627/2.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Buurtvereniging Hoogstede-Klingelbeek, gevestigd te Arnhem,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een verandering van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KEMA Nederland B.V. (hierna: KEMA).

Bij besluit van 12 december 2007 heeft het college het door de buurtvereniging Hoogstede-Klingelbeek (hierna: de buurtvereniging) hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de buurtvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2008, heeft de buurtvereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar de buurtvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hindriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KEMA, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De verandering betreft de verplaatsing van het hoogspanningslaboratorium naar een andere dan de vergunde locatie binnen de inrichting. Het hoogspanningslaboratorium zal worden gevestigd in een nieuw op te richten gebouw. Met de bouw hiervan is in december 2007 begonnen.

2.3. Het college stelt dat de buurtvereniging geen spoedeisend belang heeft omdat het nieuwe hoogspanningslaboratorium pas in 2009 in gebruik zal worden genomen.

2.3.1. Ter zitting is gebleken dat de buurtvereniging beroep heeft ingesteld tegen het besluit van het college tot verlening van een bouwvergunning voor de bouw van het nieuwe hoogspanningslaboratorium. Dit beroep speelt in deze procedure geen rol. Maar het betoog van de buurtvereniging dat de melding ten onrechte is geaccepteerd omdat het bouwen van het nieuwe hoogspanningslaboratorium is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer benodigd is, kan van belang zijn voor de vraag of het college de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voor het nieuwe hoogspanningslaboratorium ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet had dienen aan te houden. In zoverre heeft de buurtvereniging een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Volgens de buurtvereniging is de melding ten onrechte geaccepteerd, omdat door de gemelde wijziging meer en andere milieugevolgen optreden, zodat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Zij stelt dat door de verplaatsing de geluidhinder en het veiligheidsrisico voor de omgeving zullen toenemen.

2.5. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.6. Het college stelt zich op het standpunt dat de verplaatsing niet zal leiden tot een hogere geluidbelasting omdat in het bij de melding gevoegde akoestische rapport van 30 maart 2007, dat is opgesteld door Peutz, is vermeld dat na verplaatsing van het hoogspanningslaboratorium wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden die aan de voor de inrichting geldende vergunning zijn verbonden.

2.6.1. De buurtvereniging heeft geen concrete argumenten aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven om te twijfelen aan de in het akoestische rapport vermelde bevindingen. In zoverre bestaat geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Volgens het college worden in het hoogspanningslaboratorium materialen op hun isolerende werking getest. Hierbij worden weliswaar hoge spanningen gebruikt, maar, in tegenstelling tot het kortsluitlaboratorium, geen grote energiestromen. Bij een eventuele overbelasting van het testsysteem, schakelt het zichzelf uit. De veiligheidsrisico's die het hoogspanningslaboratorium met zich brengt zijn volgens het college dan ook klein en worden niet anders of groter bij verplaatsing van het laboratorium.

2.7.1. De buurtvereniging heeft geen argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. In zoverre bestaat geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

159-542.