Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200707456/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2005 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [wederpartij] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200707456/1.

Datum uitspraak: 16 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/410 van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2005 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [wederpartij] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2007, verzonden op 11 september 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 december 2005 vernietigd en bepaald dat het CBR een nieuw besluit neemt op het bezwaar van [wederpartij] met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2008, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. B.J. Blindenbach, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 van de WVW 1994 bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Het CBR heeft het rijbewijs van [wederpartij] voor alle categorieën ongeldig verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de geschiktheid. Daartoe heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat [wederpartij] ten tijde van het onderzoek in het buitenland verbleef in verband met zijn werk, gekoppeld aan een vakantie, geen geldige reden van verhindering is.

2.3. Niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat [wederpartij] wist dat een onderzoek zou plaatsvinden en dat bij gebrek aan medewerking zijn rijbewijs ongeldig zou worden verklaard, dat uit de aangetekend verzonden brief van 27 januari 2005 en de daarbij gevoegde folder voldoende duidelijk blijkt dat wanneer [wederpartij] tijdens de vorderingsprocedure elders verblijft hij dit tijdig en schriftelijk aan het CBR moet melden en dat hij dit heeft nagelaten, waaruit het CBR in eerste instantie heeft kunnen concluderen dat [wederpartij] geen medewerking heeft willen verlenen aan een onderzoek naar de geschiktheid.

2.4. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het CBR desalniettemin, toen [wederpartij] reeds in bezwaar terstond naar voren bracht alsnog aan het onderzoek te willen meewerken, aanleiding had behoren te vinden alsnog dat onderzoek te laten doen. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2005 in zaak nr. 200502869/1. Met name heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarschriftprocedure mede dient om juist in geval van onduidelijkheden in het verloop van de procedure een zo verantwoord mogelijke inhoudelijke beslissing te nemen.

2.5. Het CBR betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar voormelde uitspraak van de Afdeling, omdat de in die uitspraak gesignaleerde onduidelijkheden in deze zaak juist niet aan de orde zijn, en dat zich ook overigens geen onduidelijkheden hebben voorgedaan.

2.5.1. Dit betoog slaagt. In de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2005 lag een andere situatie voor dan thans voorligt. Betrokkene had in die zaak aangevoerd dat zij bij brief van haar advocaat tijdig de reden van verhindering had doorgegeven, te weten dat zij bij vonnis van de politierechter was vrijgesproken van het tenlastegelegde. Op de vraag van de advocaat te bevestigen dat ook deze procedure zou worden gestaakt, had betrokkene noch haar advocaat een reactie van het CBR ontvangen. Het CBR betwistte gemotiveerd dat zij de brief had ontvangen. De Afdeling heeft toen, in aanmerking genomen dat bedoelde brief door een advocaat zou zijn verzonden en de bezwaarschriftprocedure mede dient om juist in geval van onduidelijkheden in het verloop van de procedure een zo verantwoord mogelijke inhoudelijke beslissing te nemen, overwogen dat het CBR, toen betrokkene in bezwaar terstond naar voren bracht dat haar advocaat wel tijdig een reden van verhindering had doorgegeven en bovendien aangaf alsnog aan het onderzoek te willen meewerken, gelet op het karakter van de bezwaarschriftprocedure, aanleiding had behoren te vinden alsnog dat onderzoek te doen.

Uit deze uitspraak kan echter niet worden afgeleid dat het CBR een ieder die in bezwaar terstond naar voren brengt alsnog aan het onderzoek te willen meewerken, hiertoe ook de gelegenheid moet bieden. Dragend voor het oordeel van de Afdeling was immers de gesignaleerde onduidelijkheid in het verloop van de procedure, die, zoals ook de rechtbank blijkens haar niet bestreden overwegingen heeft geconcludeerd, in het onderhavige geval ontbreekt.

2.5.2. Nu in deze zaak geen sprake is van enige onduidelijkheid over de procedurele gang van zaken, was het CBR, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet gehouden om ingevolge artikel 133, tweede lid, van het Reglement een nieuwe datum voor het onderzoek vast te stellen. Het CBR heeft terecht geconcludeerd dat [wederpartij] niet de vereiste medewerking aan het onderzoek heeft verleend, hetgeen ingevolge artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994 leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2007 in zaak nr. 06/410;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008

419.