Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
200801009/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghoudster] een gedoogbeschikking onder voorwaarden verleend voor het in werking hebben van haar inrichting voor de op- en overslag van kolen, mineralen en ertsen op het ongenummerde perceel aan de Westpoortweg te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200801009/1.

Datum uitspraak: 7 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghoudster] een gedoogbeschikking onder voorwaarden verleend voor het in werking hebben van haar inrichting voor de op- en overslag van kolen, mineralen en ertsen op het ongenummerde perceel aan de Westpoortweg te Amsterdam.

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2008, heeft het college van burgemeester en wethouders de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[vergunninghoudster] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 maart 2008, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.E. Driessen, werkzaam bij de gemeente, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. R.T. de Grunt en ing. S.J.M. Marchand, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. F.G. van Dam, advocaat te Rotterdam, en H. Dames, en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door ir. W. Vlemmix, werkzaam bij de gemeente, als partijen gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het college van gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor de inrichting. Bij uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200606333/1 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

2.2. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het voornemen tot het verlenen van de gedoogbeschikking ten onrechte niet is gepubliceerd in Halfweg.

2.2.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat in Halfweg geen relevante milieugevolgen vanwege het in werking zijn van de inrichting zullen worden ondervonden en derhalve is afgezien van publicatie van het voornemen in deze woonkern. Het college van burgemeester en wethouders heeft geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het binnen de inrichting vrijkomende stof zich, vanwege de overheersende windrichting, in overwegende mate niet richting de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude zal verspreiden. De vanwege de inrichting optredende stofimmissie in de gemeente zal reeds hierom beperkt zijn. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Het college van burgemeester en wethouders voert aan dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte heeft besloten tot gedogen. Het stelt dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes, zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer, behorende bij titel 5.2 van dezelfde wet. Er is volgens hem dan ook geen concreet uitzicht op legalisatie. Tevens vreest het college van burgemeester en wethouders stofhinder vanwege de inrichting.

2.3.1. Het college van gedeputeerde staten voert aan dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een ontvankelijke aanvraag was ingediend. Uit de nieuwe aanvraag om vergunning blijkt volgens het college van gedeputeerde staten dat wordt voldaan aan de in de Wet milieubeheer opgenomen luchtkwaliteitseisen. Het stelt zich dan ook op het standpunt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie van de activiteiten bestond. Tevens acht het de aan de gedoogbeschikking verbonden voorwaarden toereikend ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder.

2.3.2. [vergunninghoudster] heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 in het kader van de nieuwe aanvraag om vergunning aanvullend onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het in werking zijn van de inrichting. Vooralsnog ziet de voorzitter in hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit onderzoek en aan de conclusie dat de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes niet zullen worden overschreden. Inmiddels is op 8 februari 2008 een ontwerpbeschikking strekkende tot verlening van de gevraagde vergunning ter inzage gelegd. Van de zijde van het college van gedeputeerde staten is ter zitting medegedeeld dat binnen enkele weken de definitieve beschikking zal worden verleend. Onder deze omstandigheden heeft het college van gedeputeerde staten zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er concreet uitzicht op legalisatie bestaat en heeft het in redelijkheid het in werking zijn van de inrichting kunnen gedogen. Tevens is niet aannemelijk geworden dat de aan de gedoogbeschikking verbonden voorwaarden ontoereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder.

2.4. Ook voor het overige ziet de voorzitter in hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geen reden een voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2008

159-542.