Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200703321/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 22 augustus 2005, 5 september 2005 en 14 september 2005 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, (hierna: de minister) de toekenning van huursubsidie aan [wederpartij] over de tijdvakken 1 juli 2002 tot 1 juli 2003, 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 herzien, de toegekende huursubsidies nader vastgesteld op nihil en de ten onrechte over deze tijdvakken uitbetaalde subsidies ten bedrage van € 1.343,64, € 1.370,64 en € 722,94 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200703321/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (lees: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie),

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3554 van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2007 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 22 augustus 2005, 5 september 2005 en 14 september 2005 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, (hierna: de minister) de toekenning van huursubsidie aan [wederpartij] over de tijdvakken 1 juli 2002 tot 1 juli 2003, 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 herzien, de toegekende huursubsidies nader vastgesteld op nihil en de ten onrechte over deze tijdvakken uitbetaalde subsidies ten bedrage van € 1.343,64, € 1.370,64 en € 722,94 teruggevorderd.

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft de minister de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2007, verzonden op 29 maart 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 juli 2006 vernietigd en de besluiten van 22 augustus 2005, 5 september 2005 en 14 september 2005 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2007, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.H.P. Dingenouts, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) zijn onder meer de artikelen 10, 26 en 36 van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) komen te vervallen. De Aanpassingswet is op 1 september 2005 in werking getreden en geldt voor subsidievakken die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu de subsidietijdvakken waarop de voormelde besluiten zien vóór 1 januari 2006 zijn aangevangen, zijn de oude bepalingen van de Huursubsidiewet van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder b, aanhef en ten tweede, van de Hsw wordt huursubsidie slechts toegekend als degenen die op de peildatum medebewoner van de woning zijn vreemdeling zijn, rechtmatig verblijf houden als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw kan de minister ambtshalve of op verzoek van de huurder bepaalde medebewoners buiten beschouwing laten als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden bij de toepassing van de artikelen 2, 3, eerste lid, en 4, eerste lid.

Ingevolge artikel 36, eerste lid a, aanhef en onder a, kan de minister de toekenning herzien als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidievakken, voorafgaande aan het lopende subsidievak als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 36, derde lid, van de Hsw kan, als het eerste lid van toepassing is, de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder.

2.3. De minister heeft zijn in bezwaar gehandhaafde besluiten doen steunen op de overweging dat artikel 10, aanhef en onder b, aanhef en ten tweede, van de Hsw in de weg staat aan verlening van huursubsidie omdat een zoon van [wederpartij] (hierna: de zoon), die vanaf 10 augustus 2000 op het subsidieadres staat ingeschreven, vanaf 12 oktober 2001 niet rechtmatig in Nederland verblijft en op de in geding zijnde peildata geen geldige verblijfsstatus had. Volgens de minister schrijft artikel 36 Hsw voor dat hij binnen vijf jaar een nieuw besluit moet nemen als aanvankelijk huursubsidie is toegekend met inachtneming van de verkeerde gegevens, en is van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen sprake. De besluiten van 22 augustus 2005, 5 september 2005 en 14 september 2005 zijn zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. Artikel 10 Hsw is niet in strijd met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK), nu artikel 7 EVRM alleen betrekking heeft op punitieve sancties en de minister niet inziet hoe aan het recht op bescherming van het gezin en kind in de weg wordt gestaan indien geen huursubsidie wordt toegekend.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 25 juli 2006 dient te worden vernietigd omdat de minister niet de bevoegdheid toekwam om over de in geding zijnde periodes de toekenning van de huursubsidies te herzien en deze terug te vorderen, nu aannemelijk is dat de zoon op de peildata rechtmatig in Nederland verbleef. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aannemelijk is dat de staatssecretaris van Justitie zijn besluit op bezwaar, gedateerd 17 (lees: 16) mei 2002, van de zoon tegen het afwijzende besluit op zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, niet eerder dan in 2005 bekend heeft gemaakt en de verblijfstitel pas op 4 augustus 2005 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst in de gemeentelijke basisadministratie met terugwerkende kracht is gewijzigd.

2.5. De minister heeft hiertegen aangevoerd dat de rechtbank 's-Gravenhage in haar uitspraak van 11 januari 2007 op het beroep van de zoon tegen het besluit van 16 mei 2002 heeft overwogen dat aannemelijk is dat het besluit van 16 mei 2002 op die dag is verzonden aan de gemachtigde van de zoon. De zoon verbleef dus op de aan de orde zijnde peildata niet rechtmatig in Nederland en de rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de bevoegdheid ontbrak, aldus de minister.

2.6. Deze grond slaagt. Tegen de uitspraak van 11 januari 2007 is geen hoger beroep ingesteld zodat deze onherroepelijk is geworden. In die uitspraak heeft de rechtbank 's-Gravenhage overwogen dat moet worden aangenomen dat het besluit van 16 mei 2002 ook op die datum is verzonden aan de gemachtigde van de zoon. De opschorting van de rechtsgevolgen van de afwijzing om een verblijfsvergunning is daarmee komen te vervallen met ingang van 12 oktober 2001. De zoon verbleef derhalve op de aan de orde zijnde peildata niet rechtmatig in Nederland. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kwam de minister de bevoegdheid toe om over de in geding zijnde periodes de toekenning van de huursubsidies te herzien en terug te vorderen.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling een oordeel geven over de resterende beroepsgronden die door [wederpartij] in eerste aanleg zijn aangevoerd.

2.8. [wederpartij] heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de minister in dit geval ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de door de wetgever gegeven keuzevrijheid. Het besluit van 25 juli 2006 ontbeert een deugdelijke motivering waar de minister heeft verzuimd in te gaan op het door [wederpartij] gedane beroep op de hardheidsclausule, en vanwege de summiere motivering van de verwerping van de door hem gestelde schendingen van het EVRM, IVBPR en IVRK.

2.9. Voor zover [wederpartij] aanvoert dat de minister vanwege de door hem gestelde omstandigheden niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om de toekenning van de huursubsidies te herzien en terug te vorderen, overweegt de Afdeling het volgende. De minister heeft als beleid dat hij in beginsel altijd gebruik maakt van die bevoegdheid. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen, zoals de situatie dat de huurder leeft van zak- en leefgeld, bestaat voor de minister aanleiding daarvan geen gebruik te maken. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Zoals de minister ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd, heeft hij ook in dit geval zijn beleid toegepast. Niet in geschil is dat de door [wederpartij] aangevoerde omstandigheden niet vallen onder de door de minister gehanteerde uitzonderingssituaties. Gelet hierop heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij in hetgeen [wederpartij] naar voren heeft gebracht geen reden behoefde te zien van zijn beleid af te wijken. Anders dan [wederpartij] heeft betoogd, houden de woorden 'redelijkerwijs kunnen begrijpen' niet in dat een bepaald gedrag de huurder moet kunnen worden verweten om de toekenning van de huursubsidie te kunnen herzien. Naar het oordeel van de Afdeling had [wederpartij] kunnen begrijpen dat de rechtsgevolgen van het afwijzende besluit op het verzoek om een verblijfsvergunning slechts waren opgeschort door het indienen van een bezwaarschrift en had hij kunnen begrijpen dat rechtmatige verblijf van zijn zoon op de peildatum een voorwaarde was voor toekenning van huursubsidie.

Wat de door [wederpartij] gemaakte vergelijking met het door de minister gevoerde beleid ten aanzien van de pleegouders van uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen betreft heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr. 200704671/1) dat dit beleid niet onredelijk is en dat het niet leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid als door [wederpartij] betoogd.

De Afdeling acht het betoog van de minister dat artikel 26, eerste lid, onder b, van de Hsw, blijkens de bewoordingen daarvan niet van toepassing is indien de toekenning wordt herzien omdat een medebewoner van de woning vreemdeling is en niet rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, juist. Gelet hierop slaagt het beroep van [wederpartij] op de zogeheten hardheidsclausule niet.

De door [wederpartij] in beroep ingeroepen artikelen 2, 9 en 26 van het IVRK en artikel 23 van het IVBPR bevatten, gelet op hun formulering, geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, omdat deze bepalingen niet voldoende concreet zijn voor zodanige toepassing en daarom nadere uitwerking in nationale wetgeving behoeven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 november 2005 in zaak nr. 200505825/1) bevat ook artikel 24, eerste lid, van het IVBPR, gelet op de formulering daarvan, behoudens het daarin neergelegde discriminatieverbod, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wetgeving door de rechter direct toepasbaar is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr. 200704671/1) berust het gemaakte onderscheid tussen huurders met een Nederlandse of rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoner en huurders met een medebewoner zonder geldige verblijfsstatus, echter op redelijke en objectieve gronden en levert dit geen discriminatie op als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt evenmin. Het terugvorderen van ten onrechte ontvangen huursubsidie, omdat de zoon niet rechtmatig in Nederland verblijft, leidt niet tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven van [wederpartij]. Met de minister is de Afdeling van oordeel dat artikel 7 van het EVRM in dit geval toepassing mist omdat de herziening en terugvordering van toegekende huursubsidie niet kan worden aangemerkt als een punitieve sanctie.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 25 juli 2006 van de minister alsnog ongegrond worden verklaard.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2007 in zaak nr. 06/3554;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

290.