Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9084

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200702169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dutch BioDiesel B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) verleend voor een inrichting voor de productie van biodiesel uit plantaardige producten op het adres Petroleumweg 56 te Rotterdam. Dit besluit is op 15 februari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/67 met annotatie van Zigenhorn
JOM 2008/418
M en R 2008, 42K
Milieurecht Totaal 2008/5293
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/4323

Uitspraak

200702169/1

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, en de stichting Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht,

2. de vereniging Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dutch BioDiesel B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) verleend voor een inrichting voor de productie van biodiesel uit plantaardige producten op het adres Petroleumweg 56 te Rotterdam. Dit besluit is op 15 februari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: MOB en SNM) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2007, en de vereniging Vereniging Milieudefensie (hierna: VM) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2007, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2007, heeft VM de gronden van haar beroep aangevuld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen. Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is dit college hiertoe in de gelegenheid gesteld.

MOB en SNM en het college van gedeputeerde staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar MOB en SNM, vertegenwoordigd door J.G. Vollenbroek, VM, vertegenwoordigd door C. Theile, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door C.C.M. van Neerven, A.E. Braké-van Wijnbergen en J.C.L. Langeveld, zijn verschenen.

Voorts is als belanghebbende gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. L.A.J. Spaans en mr. H.C. van Geen, advocaten te Amsterdam, en H. Smits, en is het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat het beroep van VM niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift van 30 november 2007 van VM buiten de beroepstermijn van 6 weken is ingediend.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

2.1.2. De beroepstermijn is op 29 maart 2007 geëindigd. Eerst nadien, op 30 november 2007, is het beroepschrift van VM bij de Raad van State ingekomen.

2.1.3. VM heeft ter verklaring van de overschrijding van de beroepstermijn betoogd dat de kennisgeving van het ontwerp van het besluit met publicatie in lokale bladen te beperkt is geweest, waardoor zij geen mogelijkheid heeft gehad kennis te nemen van het ontwerp van het besluit en een zienswijze naar voren te brengen. Als gevolg hiervan is zij pas ruim na het verstrijken van de beroepstermijn op de hoogte geraakt van het bestreden besluit. Vervolgens heeft zij kort daarna beroep ingesteld.

2.1.4. Van het bestreden besluit is mededeling gedaan met toepassing van artikel 3:44 van de Awb. Nu dit op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden en VM derhalve voldoende in de gelegenheid is gesteld om van het bestreden besluit kennis te nemen, kan in de wijze van mededeling van het ontwerp-besluit geen grond worden gevonden om overschrijding van de termijn voor het indienen van beroep verschoonbaar te achten.

De Afdeling wijst in dit verband op de memorie van toelichting op artikel 6:11 van de Awb (TK 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 132) waarin is opgemerkt dat, indien het definitieve besluit op de voorgeschreven wijze is medegedeeld, belanghebbenden moeten worden geacht op de hoogte te zijn en een termijnoverschrijding in dat geval in het algemeen niet verschoonbaar is.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het beroepschrift van VM zonder verschoonbare reden buiten de wettelijke termijn is ingediend. Derhalve is het beroep van VM niet-ontvankelijk.

Publicatie

2.2. MOB en SNM hebben betoogd dat de kennisgeving van het ontwerp-besluit ten onrechte alleen in lokale bladen is gepubliceerd en daarom niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Zoals de Afdeling heden heeft overwogen (uitspraak in zaak nr. 200706406/1), heeft het college door de kennisgeving alleen in huis-aan-huisbladen te plaatsen, niet op onjuiste wijze gebruik gemaakt van de hem op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb toekomende vrijheid. Deze beroepsgrond faalt.

Milieu-effectrapportage

2.3. MOB en SNM stellen dat een milieu-effectrapport had moeten worden gemaakt. Volgens hen is de vergunde activiteit een activiteit als bedoeld in categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit).

2.3.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wm worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

In categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit zijn, voor zover hier van belang, als activiteiten aangewezen: de oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van organische basischemicaliën.

2.3.2. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat de inrichting niet onder categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit valt, omdat de inrichting niet is te beschouwen als een geïntegreerde chemische installatie, aangezien de inrichting vanuit chemisch technologisch oogpunt een relatief eenvoudige procesinstallatie vormt. Voor een geïntegreerde procesinstallatie is volgens het college kenmerkend dat deze bestaat uit verschillende proceseenheden waartussen een functionele binding bestaat; dat is hier niet het geval.

2.3.3. Voor de toepasselijkheid van categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit is onder meer van belang dat een installatie aanwezig is die uit verscheidene eenheden bestaat. MOB en SNM bestrijden dat er sprake is van meerdere processtappen binnen één proceseenheid. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bewerking van plantaardige olie begint met enkele fysische stappen. Niet is gebleken dat in die fase ook bewerking van chemische aard plaatsvindt. Vervolgens wordt de bewerkte olie met behulp van methanol omgezet in biodiesel. Daarnaast ontstaat glycerine, maar dat is geen beoogd product. Als tussenproduct ontstaan vetzuren, die ook in het proces worden omgezet in biodiesel.

Gezien de procesbeschrijving en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat hier sprake is van een relatief eenvoudige procesinstallatie en dat dit proces niet bestaat uit stappen die zodanig op zichzelf staan dat gesproken kan worden van verscheidene eenheden. Gezien het vorenstaande heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen geïntegreerde chemische installatie aanwezig is als bedoeld in categorie 21.6 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit en dat derhalve geen verplichting bestond om een milieueffectrapport te maken. Deze beroepsgrond faalt.

Voorschrift 1.2

2.4. MOB en SNM voeren aan zich niet te kunnen verenigen met vergunningvoorschrift 1.2. Volgens hen is dit voorschrift te ruim omschreven en maakt het voorschrift het ten onrechte mogelijk om de vergunning te wijzigen zonder een melding op grond van artikel 8.19 van de Wm.

2.4.1. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat in dit voorschrift is bepaald dat degene die de inrichting drijft, andere maatregelen kan treffen dan in enig vergunningvoorschrift zijn opgenomen. Een op schrift gestelde beslissing hierover is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen rechtsbescherming openstaat. Voorschrift 2.1 biedt dan ook geen verdergaande mogelijkheden dan een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer, aldus het college.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 1.2 mag de vergunninghouder andere middelen toepassen, mits hij, voordat hij die andere middelen toepast, van het bevoegd gezag schriftelijke toestemming heeft gekregen. Hiervoor moet de vergunninghouder aantonen dat met de door hem gekozen middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.

2.4.3. Voorschrift 1.2 geeft een algemene procedure voor het zonder vergunning veranderen van de inrichting of de werking daarvan. Aangezien voor dergelijke veranderingen de wettelijke procedure voor een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt, is het besluit, voor zover het voorschrift betreft, 1.2 in strijd met het stelsel van de Wet milieubeheer.

2.5. Het beroep van VM is niet-ontvankelijk. Het beroep van MOB en SNM is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het voorschrift 1.2 betreft. Het beroep van MOB en SNM is voor het overige ongegrond.

2.6. Het college van gedeputeerde staten dient ten aanzien van MOB en SNM op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor het overige bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van de door MOB en SNM gevraagde vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overweegt de Afdeling dat blijkens het door appellanten verstrekte uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel ing. J.G. Vollenbroek voorzitter van de MOB is. Onder die omstandigheid kan door hem verleende rechtsbijstand niet worden aangemerkt als rechtsbijstand die door een derde is verleend, zodat er in zoverre geen kosten zijn die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Vereniging Milieudefensie niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Stichting Natuur en Milieu gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 februari 2007, kenmerk 424114 20313327, voor zover het voorschrift 1.2 betreft;

IV. verklaart het beroep van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Stichting Natuur en Milieu voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de Stichting Natuur en Milieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,83 (zegge: negenendertig euro en drieëntachtig cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan de Stichting Natuur en Milieu onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. respectievelijk de Stichting Natuur en Milieu het door elk voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.R. Schaafsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

191-537.