Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200705187/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats], gemeente Nunspeet. Dit besluit is op 12 juni 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/424
Milieurecht Totaal 2008/3773
ABkort 2008/223

Uitspraak

200705187/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats], gemeente Nunspeet. Dit besluit is op 12 juni 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, beroep ingesteld. [appellant] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H. Noordzij en P. Baas, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vergunning is gevraagd voor, kort weergegeven, het in werking hebben van een veehouderij met een paardrijbak en de verhuur van appartementen in gebouw A en de verhuur van een woning in gebouw B. Ter beoordeling staat primair of de woningverhuur en de veehouderij tezamen kunnen worden aangemerkt één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.3. [appellant] betoogt dat zodanige bindingen bestaan tussen de woningverhuur en de veehouderij, dat deze twee activiteiten als één inrichting moeten worden beschouwd.

Daartoe wijst zij er allereerst op dat er in de aanvraag van is uitgegaan dat de woningverhuur en de veehouderij samen één inrichting zijn. Dit betoog slaagt niet. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van één inrichting is bepalend of de activiteiten en installaties op grond van de in artikel 1.1, eerste samen met het vierde lid, van de Wet milieubeheer neergelegde criteria als onderling verbonden activiteiten en installaties moeten worden aangemerkt, en niet of de activiteiten en installaties volgens de opsteller van de aanvraag om vergunning één inrichting vormen.

[appellant] wijst er verder op dat zij zowel de eigendom van de gebouwen van de woningverhuur als die van de overige gebouwen heeft en het onderhoud van beide gebouwen verzorgt. Wat hiervan ook zij, hieruit kan niet worden afgeleid dat een voor de toepassing van de Wet milieubeheer relevante technische, functionele of organisatorische binding bestaat tussen de woningverhuur en de veehouderij.

Voor zover [appellant] betoogt dat in gebouw A niet alleen te verhuren appartementen zijn gevestigd, maar ook de bedrijfswoning bij de veehouderij, overweegt de Afdeling dat hieruit evenmin volgt dat er een technische, functionele of organisatorische binding bestaat tussen de veehouderij en bijbehorende bedrijfswoning en de woningverhuur. Dat, zoals [appellant] verder betoogt, het gebouw A een gemeenschappelijke aansluiting voor gas, water en elektriciteit heeft is weliswaar een technische binding tussen de woningverhuur en de bedrijfswoning van de veehouderij, maar niet een binding van zodanige betekenis dat de veehouderij en de woningverhuur als één inrichting moeten worden aangemerkt.

[appellant] betoogt verder onder meer dat de bewoners eigen paarden in de veehouderij kunnen stallen en verplicht zullen zijn deze paarden zelf te verzorgen, en dat de huurders en [appellant] dezelfde machines zullen gebruiken voor onderhoud van de tuin. Voor zover hierin bindingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer moeten worden gezien, zijn deze evenmin van zodanige betekenis dat de veehouderij en de woningverhuur tezamen als één inrichting zouden moeten worden aangemerkt.

Ook voor het overige is niet gebleken van voor de toepassing van de Wet milieubeheer relevante bindingen op grond waarvan de woningverhuur en de veehouderij tezamen als één inrichting zouden moeten worden aangemerkt.

2.4. De conclusie is dat de in de aanvraag genoemde activiteiten niet tezamen één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vormen. Het verlenen van de gevraagde vergunning zou daarom in strijd zijn met artikel 8.1 samen met artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Het college heeft daarom terecht de gevraagde vergunning geweigerd.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

262-570.