Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200706093/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2006 heeft de gemeenteraad van Lochem (hierna: de raad) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2003, waarbij de gemeenteraad van de voormalige gemeente Gorssel zijn verzoek om vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het zomerhuis aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als woning heeft afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706093/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2450 van de rechtbank Zutphen van 17 juli 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

de raad der gemeente Lochem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2006 heeft de gemeenteraad van Lochem (hierna: de raad) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2003, waarbij de gemeenteraad van de voormalige gemeente Gorssel zijn verzoek om vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het zomerhuis aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als woning heeft afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2007, verzonden op 18 juli 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2007.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1987, correctieve herziening 1996" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Zomerhuizen". Permanente bewoning van het pand op het perceel is in strijd met de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de Nota Ruimte en het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het Streekplan) in de weg staan aan het verlenen van vrijstelling voor het gebruik van het zomerhuis op het perceel als woning, heeft miskend dat zijn verzoek om vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dateert van vóór de Nota Ruimte en het Streekplan, zodat daarmee geen rekening mocht worden gehouden. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat genoemde documenten nationale en provinciale beleidsdocumenten zijn waarvan de raad, mits goed gemotiveerd, mag afwijken en dat de raad dat in dit geval ook had moeten doen. Hij wijst in dit verband op vijf zomerhuizen die, na zijn verzoek van 3 maart 2003 aan de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Gorssel, wel een woonbestemming hebben gekregen.

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. De raad heeft aan de handhaving van de weigering ten grondslag gelegd dat de bestemming van het pand als zomerhuis naar aard, karakter en ligging in het bos juist is en dat vrijstelling voor het gebruik als woning wegens strijd met de Nota Ruimte en het Streekplan, hetgeen door [appellant] niet wordt betwist, onwenselijk is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad deze beleidsdocumenten bij het besluit op bezwaar heeft mogen betrekken. Een dergelijk besluit dient immers een volledige heroverweging te zijn op basis van het recht, de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dat besluit.

2.2.2. De rechtbank heeft voorts in het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de door hem gevraagde vrijstelling heeft kunnen weigeren. De Afdeling neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Bij uitspraak van 12 april 2001 in zaak nr. E01.97.0376 heeft de Afdeling geoordeeld over het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 12 juni 1997 omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 1987, correctieve herziening 1996", waarbij onder meer werd voorzien in een aangepaste regeling voor zomerhuizen. De Afdeling heeft bij voormelde uitspraak, voor zover thans van belang, dat goedkeuringsbesluit vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan vijf plandelen met de bestemming "Zomerhuizen". Als vervolg op deze uitspraak hebben die vijf percelen alsnog de bestemming "Woondoeleinden" gekregen. [appellant] heeft destijds geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied 1987, correctieve herziening 1996", waarin voor het perceel de bestemming "Zomerhuizen" bleef gehandhaafd. Voormelde uitspraak van de Afdeling ziet dan ook niet op het perceel. Derhalve is geen sprake van gelijke gevallen waarin de raad aanleiding had moeten zien om, met afwijking van het beleid zoals vermeld in de Nota Ruimte en het Streekplan, aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het zomerhuis op het perceel als woning.

Dat de raad, zoals [appellant] betoogt, bevoegd is af te wijken van beleidsdocumenten als de Nota Ruimte en het Streekplan - wat hiervan zij - betekent voorts niet dat de raad zich niet aan dergelijke beleidsdocumenten mag conformeren.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

218-488.