Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200707294/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200707294/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/4130 van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 13 september 2007, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 19 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.H. Westendorp, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

Ingevolge 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 van de WVW 1994 bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Het CBR heeft het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard omdat hij niet de vereiste medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de geschiktheid en niet is gebleken van een geldige reden van verhindering.

2.3. Ter zitting is gebleken dat [appellant] inmiddels weer in het bezit is van een geldig rijbewijs. Desgevraagd heeft hij aangegeven dat hij desalniettemin belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep, omdat hij gedurende de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs niet als koerier heeft kunnen werken en dus schade heeft geleden. Nu deze schade tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt, heeft [appellant] belang bij een beoordeling van het hoger beroep.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij nimmer een oproep heeft ontvangen om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Niet kan worden uitgesloten dat, zoals vaker is gebeurd, het poststuk niet is aangeboden aan zijn adres maar aan het adres van zijn buren. Nu het CBR ervoor heeft gekozen geen afschrift per gewone post te verzenden, dient het CBR volgens [appellant] aannemelijk te maken dat de aangetekende post aan het juiste adres is aangeboden. Omdat het CBR dit bewijs niet heeft geleverd, kan de ontvangst van de brief niet aannemelijk worden geacht, aldus [appellant].

2.4.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Het CBR heeft bij aangetekend en onaangetekend verzonden besluit van 25 augustus 2006 aan [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. In dit besluit staat vermeld dat alle toekomstige aangetekend verzonden correspondentie niet meer zal worden gevolgd door een onaangetekend verzonden kopie. Tevens heeft het CBR [appellant] op de hoogte gesteld van het feit dat het rijbewijs ongeldig wordt verklaard wanneer hij niet meewerkt aan het onderzoek. Voorts staat in het besluit vermeld dat [appellant] tijdig en schriftelijk aan het CBR moet doorgeven wanneer hij tijdens de procedure verhuist of elders verblijft. Het aangetekend verzonden besluit is niet afgehaald en retour gekomen. Bij aangetekende brief van 19 oktober 2006 is [appellant] vervolgens opgeroepen voor een onderzoek op 16 november 2006. Ook deze brief is niet afgehaald en retour gekomen. [appellant] heeft geen schriftelijke adreswijziging aan het CBR doorgegeven. Daarop is het CBR bij de gemeentelijke basisadministratie nagegaan op welk adres [appellant] staat ingeschreven. Gebleken is dat hij staat ingeschreven op het adres waarnaar het CBR de brieven heeft verzonden.

2.4.2. Niet in geschil is dat het CBR de oproep voor het onderzoek op 19 oktober 2006 aangetekend naar het juiste adres heeft verzonden. [appellant] heeft ontkend dat hij bericht daarvan heeft ontvangen. Aan deze ontkenning wordt geen geloof gehecht omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetekend verzonden oproep aan een ander adres is aangeboden. Het komt voor risico van [appellant] dat hij zich niet in het bezit heeft gesteld van de aangetekend naar het juiste adres verzonden oproep, zodat hij van de inhoud geen kennis heeft kunnen nemen.

Nu niet is gebleken van een geldige reden van verhindering, was het CBR, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet gehouden om ingevolge artikel 133, tweede lid, van het Reglement een nieuwe datum voor het onderzoek vast te stellen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het CBR terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] niet de vereiste medewerking aan het onderzoek heeft verleend, hetgeen ingevolge artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994 leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

419.