Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9055

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200706986/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeenteraad), gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 30 januari 2007, het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van planschade, gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2008, 931
BA 2008/135

Uitspraak

200706986/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Zaanstad,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07-1948 van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de raad van de gemeente Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeenteraad), gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 30 januari 2007, het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van planschade, gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2007, verzonden op 23 augustus 2007, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 (lees: 22) februari 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2008, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus, ambtenaar bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. S.N. Mulder, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Zoetermeer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt voor de toepasselijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:20, eerste lid, blijft het bestuursorgaan, indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verplicht een besluit op de aanvraag te nemen.

Ingevolge het vierde lid wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Ingevolge het zesde lid kan het bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

2.2. [wederpartij] heeft de gemeenteraad bij brief van 26 mei 2004 verzocht om vergoeding van beweerdelijk geleden planschade ten gevolge van een vrijstellingsbesluit en de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan dat een bedrijventerrein mogelijk maakt.

Bij brief van 13 december 2005 heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op dat verzoek.

Bij besluit van 7 september 2006 heeft de gemeenteraad dit bezwaar gegrond verklaard. In dit besluit is tevens vermeld dat de gemeenteraad binnen afzienbare tijd ook inhoudelijk een beslissing zal nemen op het verzoek om vergoeding van planschade van [wederpartij].

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] beroep ingesteld, omdat volgens hem ten onrechte geen rechtsgevolgen zijn verbonden aan de gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek.

Bij besluit van 25 januari 2007, verzonden op 6 februari 2007, heeft de gemeenteraad het verzoek om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij uitspraak van 30 januari 2007 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 september 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat dit besluit geen inhoudelijk oordeel bevat over het verzoek van [wederpartij], maar uitsluitend de toezegging dat [wederpartij] binnen afzienbare tijd bericht zal ontvangen. De rechtbank heeft gelast dat de gemeenteraad binnen vier weken na de dag van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt dat tevens een besluit op het verzoek inhoudt. Daarbij is tevens bepaald dat de gemeenteraad een dwangsom van € 250,00 verbeurt voor iedere dag dat voornoemde termijn wordt overschreden.

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de gemeenteraad het bezwaar van [wederpartij] tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag opnieuw gegrond verklaard, doch daarbij aangetekend dat inmiddels op 25 januari 2007 een besluit op diens verzoek is genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 februari 2007 vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat het de gemeenteraad, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2007, niet langer vrijstond om op het verzoek van [wederpartij] te beslissen door het nemen van een primair besluit. Nu het besluit op bezwaar van 22 februari 2007 niet tevens een inhoudelijk besluit op het verzoek inhoudt, maar daarin slechts erop is gewezen dat op 6 februari 2007 het besluit op het verzoek is verzonden, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de opdracht in de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2007. De gemeenteraad dient volgens de rechtbank opnieuw een besluit op bezwaar te nemen waarin het besluit op het verzoek om planschadevergoeding als zodanig wordt vastgelegd.

2.3. De gemeenteraad betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de gemeenteraad ingevolge artikel 6:20 van de Awb hangende het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om vergoeding van planschade van [wederpartij] bevoegd bleef om een besluit op diens verzoek te nemen. Nu de gemeenteraad op 25 januari 2007 alsnog een besluit op dit verzoek had genomen, kon hij het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook bij besluit van 22 februari 2007 gegrond verklaren onder verwijzing naar zijn besluit van 25 januari 2007. Volgens de gemeenteraad is aldus voldaan aan de strekking van de door de rechtbank in haar uitspraak van 30 januari 2007 opgedragen last.

2.4. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 oktober 2001 in zaak nr. 200101280/1 (JB 2001, 294), is het met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit primair te zien als een procedureel middel om een bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Het bestuursorgaan zal in het algemeen alsnog een reëel besluit dienen te nemen - dat kan ook hangende de procedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit - waartegen de nodige rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

In diezelfde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat artikel 6:20, vierde lid, van de Awb ertoe strekt dat, indien tegen het uitblijven van een besluit een rechtsmiddel is benut, bij het alsnog afkomen van dat besluit niet opnieuw een rechtsmiddel behoeft te worden aangewend. Degene die het rechtsmiddel heeft benut, kan dan geen verwijt worden gemaakt dat hij niet ook afzonderlijk tegen het reële besluit bezwaar heeft gemaakt. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, houdt dit artikellid niet in dat, in geval tegen het niet tijdig beslissen bezwaar is gemaakt, het bestuursorgaan uitsluitend in de vorm van een besluit op bezwaar een reëel besluit kan nemen. Dit zou immers betekenen dat alsdan de mogelijkheid van een inhoudelijke heroverweging wordt weggenomen.

2.4.1. In het voorliggende geval is het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag gegrond verklaard en is tevens gewezen op het inmiddels genomen inhoudelijke besluit van 25 januari 2007. De rechtbank is er in de aangevallen uitspraak ten onrechte aan voorbij gegaan dat het besluit van 25 januari 2007 is genomen vóór de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2007 en dat dit ten tijde van het doen van die uitspraak niet bekend was. De gemeenteraad was, ook na het besluit van 7 september 2006, nog altijd verplicht een besluit op de aanvraag te nemen. De vernietiging van het besluit van 7 september 2006 bij uitspraak van 30 januari 2007 heeft dat niet anders gemaakt. Omdat er op 25 januari 2007 reeds een inhoudelijk primair besluit was genomen, kon de gemeenteraad, gegeven de hem bij voormelde uitspraak op straffe van verbeurte van een dwangsom opgelegde last, bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek niet anders dan dit bezwaar gegrond verklaren zonder een nader inhoudelijk besluit te nemen. De gemeenteraad heeft bij het besluit op bezwaar van 22 februari 2007 niet beoogd om het primaire besluit van 25 januari 2007 daarin te incorporeren. Hij was daartoe, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook niet gehouden. Er was ten tijde van de aangevallen uitspraak zowel sprake van een bevoegd genomen inhoudelijk besluit op het verzoek om vergoeding van planschade als van een gegrond verklaard bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit. Aldus is materieel voldaan aan de last uit de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2007. De rechtbank is daaraan in de aangevallen uitspraak ten onrechte voorbijgegaan.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de gemeenteraad van 22 februari 2007 alsnog ongegrond verklaren. De gemeenteraad zal een inhoudelijk besluit dienen te nemen op het tegen het besluit van 25 januari 2007 gemaakte bezwaar.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2007 in zaak nr. 07-1948;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

18-496.