Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200706747/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van zijn huursubsidieschuld en heeft hij een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende een betalingsverplichting van € 46,89 per maand gedurende 29 maanden en een laatste termijn van € 46,97, ingaande 25 mei 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200706747/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/543 van de rechtbank Roermond van 6 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van zijn huursubsidieschuld en heeft hij een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende een betalingsverplichting van € 46,89 per maand gedurende 29 maanden en een laatste termijn van € 46,97, ingaande 25 mei 2006.

Bij besluit van 26 maart 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) is onder meer artikel 36 van de Huursubsidiewet komen te vervallen. De Aanpassingswet is op 1 september 2005 in werking getreden en geldt voor subsidietijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu de subsidietijdvakken waarop voormelde besluiten zien vóór 1 januari 2006 zijn aangevangen, zijn de oude bepalingen van de Huursubsidiewet van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 36, derde lid, van de Huursubsidiewet kan bij herziening van de subsidietoekenning de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.3. Bij besluit van 15 april 2003 heeft de minister de aan [appellant] toegekende huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 gewijzigd vastgesteld en een bedrag van € 1925,66 teruggevorderd.

Na verrekening van een tegoed van [appellant] uit een ander subsidiejaar resteert een nog openstaande schuld van € 1406,78. Ter aflossing van deze schuld heeft de minister de in geding zijnde betalingsregeling vastgesteld.

2.4. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die kwijtschelding van zijn huursubsidieschuld rechtvaardigt. Het gezin van [appellant], bestaande uit zeven personen, moet in het levensonderhoud voorzien met een uitkering van € 1066,88, zijnde een bedrag dat lager is dan het voor hem geldende bestaansminimum. Aangezien [appellant] geen gelden ontvangt boven het bestaansminimum, heeft hij geen financiële ruimte die zou kunnen worden aangewend voor de afbetaling van de huursubsidieschuld. Hij voert verder aan dat de zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld, nu zowel de afhandeling van zijn bezwaarschrift als de terugvordering van de huursubsidieschuld ernstige vertraging hebben opgelopen.

2.4.1. De minister heeft in het besluit van 26 maart 2007 overwogen dat hij alleen volledige kwijtschelding verleent in zeer uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld als sprake is van een zak- en kleedgeldregeling of wanneer de financiële draagkracht geen verhaalsmogelijkheid biedt en niet te verwachten is dat daar in de komende drie jaar verbetering in komt. Voorts verleent hij kwijtschelding bij onvoldoende aflossingscapaciteit indien de debiteur is opgenomen in een verpleeghuis of verzorgingstehuis op rekening van de AWBZ.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bestendig beleid dat de minister voert de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Toepassing daarvan leidt in dit geval tot het niet kwijtschelden van de huursubsidieschuld, omdat geen sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie. De door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden zijn voorts geen bijzondere omstandigheden die dwingen tot afwijking van dit beleid. Voor zover [appellant] een inkomen heeft onder bijstandsniveau, heeft de minister onweersproken gesteld dat hij met een bij de Gemeentelijke Sociale Dienst aan te vragen aanvullende bijstandsuitkering in staat moet worden geacht zijn huursubsidieschuld op de aangegeven wijze af te lossen. Gelet op de wettelijke termijn voor terugvordering van te veel of ten onrechte uitbetaalde subsidie van vijf jaar, heeft de rechtbank voorts terecht de stelling van [appellant] verworpen dat sprake is van het verstrijken van een redelijke termijn.

Het betoog van [appellant] slaagt daarom niet.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

97.