Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC9037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
200707541/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een herstelinrichting voor motorvoertuigen met wasplaats en spuitcabine, annex tankstation voor wegverkeer inclusief de opslag en verkoop van LPG als motorbrandstof op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 25 september 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen 2
Besluit externe veiligheid inrichtingen 4
Besluit externe veiligheid inrichtingen 12
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/432
Milieurecht Totaal 2008/3986

Uitspraak

200707541/1.

Datum uitspraak: 9 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een herstelinrichting voor motorvoertuigen met wasplaats en spuitcabine, annex tankstation voor wegverkeer inclusief de opslag en verkoop van LPG als motorbrandstof op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 25 september 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2008, waar het college, vertegenwoordigd door drs. S.F.M. Anzion en ing. A. Kesting, beiden werkzaam bij Milcura Overheidsadvisering B.V., is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant] betoogt dat het aspect externe veiligheid buiten het toetsingskader van de Wet milieubeheer valt. De in paragraaf 4 (Externe veiligheid) van de vergunningvoorschriften opgenomen voorschriften hadden volgens hem dan ook niet aan de vergunning mogen worden verbonden. Dit betekent dat voorschrift 4.1, waarin is bepaald dat de LPG doorzet niet meer mag bedragen dan 999 m3 per jaar, volgens [appellant] niet toelaatbaar is. Hierdoor is het volgens [appellant] onduidelijk welke hoeveelheid doorzet aan LPG is vergund.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat artikel 8.11 van de Wet milieubeheer bepaalt dat aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover van belang, worden onder gevolgen voor het milieu ook de gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen verstaan. Het aspect externe veiligheid betreft gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, zodat dit aspect binnen het toetsingskader van de Wet milieubeheer valt.

Uit de aanvraag blijkt dat een doorzet van minder dan 1.000 m3 LPG is aangevraagd. Nu blijkens voorschrift 4.1 van het bestreden besluit 999 m3 doorzet aan LPG is vergund, bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen onduidelijkheid omtrent de omvang van de vergunde doorzet.

Deze beroepsgronden falen.

2.3. Voor zover [appellant] vreest dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.1 niet zal worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. [appellant] betoogt dat de vergunning in strijd is met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) omdat een deugdelijke motivering voor het groepsrisico ontbreekt en de in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico aanbevolen oriƫntatiewaarde voor het groepsrisico ruimschoots wordt overschreden.

2.4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bevi is het Bevi onder meer van toepassing op de besluiten als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer.

Ingevolge artikel 4, derde en vierde lid, van het Bevi, voor zover van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, indien die aanvraag nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico, de grenswaarden, genoemd in de artikelen 7, eerste lid, en 24, eerste lid, in acht en houdt het rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 7, tweede lid.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Bevi, voor zover van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag, in afwijking van het derde lid, de bij de Regeling externe veiligheid inrichtingen vastgestelde afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten in acht en houdt bij die beslissing, in afwijking van het vierde lid, rekening met de bij die regeling vastgestelde afstanden tot al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten, indien die aanvraag betrekking heeft op een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, waarvan de doorzet van LPG minder dan 1.500 m3 per jaar bedraagt.

Artikel 12 van het Bevi bepaalt, kort weergegeven, dat indien het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid, vaststelt, het bevoegd gezag in de motivering van het besluit een verantwoording van het groepsrisico moet vermelden.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 16 mei 2007 in zaak nr. 200604994/1) volgt uit het samenstel van artikel 2, aanhef en onderdeel e, en artikel 4, derde en vierde lid, van het Bevi, dat het Bevi alleen van toepassing is op een besluit op een aanvraag om een revisievergunning, indien die aanvraag nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling hieruit afgeleid dat het plaatsgebonden risico veroorzaakt door de vergunde situatie moet verslechteren door een positief besluit op een aanvraag om een revisievergunning. Dat is het geval indien de reeds vergunde activiteiten zodanig veranderen dat dit leidt tot enigerlei toename van het plaatsgebonden risico, dan wel indien nieuwe activiteiten worden aangevraagd waarop artikel 2 van toepassing is.

Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de wijzigingen die zijn aangevraagd en vergund ten opzichte van de eerder vergunde situatie met name zien op het beperken van de doorzet van LPG. Niet is gebleken van een verandering die zal leiden tot een toename van het plaatsgebonden risico, noch dat nieuwe activiteiten zijn aangevraagd waarop artikel 2 van toepassing is. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat een positief besluit op de aanvraag geen nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van het Bevi. Derhalve kan het bestreden besluit niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 4, derde tot en met vijfde lid, van het Bevi. Gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Bevi behoefde het college in de motivering van het besluit dan ook geen verantwoording van het groepsrisico als bedoeld in die bepaling te vermelden. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008

271-529.