Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200705921/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd / geprivilegieerde status rechtstreeks ontleend aan Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961 / niet afhankelijk van bezit geprivilegieerdendocument of registratie in Probas

Niet-duurzaam verblijvend personeel van ambassades en hun gezinsleden ontlenen hun bijzondere geprivilegieerde status rechtstreeks aan het verdrag en niet aan het bezit van een geprivilegieerdendocument of de registratie in Probas. Immers, in artikel 39 van het verdrag, waarin is geregeld wanneer die status wordt verkregen en verloren, is verkrijging en verlies niet afhankelijk gesteld van het bezit van een geprivilegieerdendocument of de registratie in een daarop betrekking hebbend bestand. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 20
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/197

Uitspraak

200705921/1.

Datum uitspraak: 27 maart 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

1. [de vreemdeling sub 1], mede voor zijn minderjarig kind,

2. [de vreemdeling sub 2],

3. [de vreemdeling sub 3],

4. [de vreemdeling sub 4],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/49233, 06/49236, 06/59100 en 06/59101 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 6 augustus 2007 in de gedingen tussen:

[de vreemdeling sub 1], mede voor zijn minderjarig kind, [de vreemdeling sub 2], [de vreemdeling sub 3], [de vreemdeling sub 4]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 september 2003 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van [de vreemdeling sub 1], mede voor zijn minderjarig kind, [de vreemdeling sub 2], [de vreemdeling sub 3] en [de vreemdeling sub 4] (hierna: onderscheidenlijk de vreemdeling sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4; hierna tezamen: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dan wel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 14 september 2006 heeft de minister het door de vreemdelingen sub 1 en sub 2 gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de op hen betrekking hebbende besluiten van 24 september 2003, ongegrond verklaard. Bij onderscheiden besluiten van 23 november 2006 heeft de minister het door de vreemdelingen sub 3 en sub 4 gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de op hen betrekking hebbende besluiten van 24 september 2003, gegrond verklaard en hun met ingang van 13 oktober 2006 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 augustus 2007, verzonden op 7 augustus 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdelingen klagen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat - samengevat weergegeven -, aangezien de vreemdelingen hun door de minister van Buitenlandse Zaken verstrekte identiteitskaarten voor geprivilegieerde personen (hierna: geprivilegieerdendocumenten) vóór 1 augustus 2002 moesten inleveren en de vreemdeling sub 1 met ingang van die datum niet langer staat geregistreerd in de Protocollaire Basisadministratie (hierna: Probas), de minister terecht heeft geoordeeld dat de vreemdelingen met ingang van die datum hun bijzondere geprivilegieerde status hebben verloren en aldus niet voldoen aan de tienjarentermijn als gesteld in artikel 3.93, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zodat zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Volgens de vreemdelingen heeft de rechtbank, door aldus te overwegen, miskend dat de verkrijging van de bijzondere geprivilegieerde status niet afhankelijk is van het in bezit hebben van een geprivilegieerdendocument of registratie in Probas, maar dat deze rechtstreeks is gebaseerd op het volkenrecht en is te herleiden tot het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961 (hierna: het verdrag) op grond waarvan de status is gekoppeld aan het daadwerkelijk uitoefenen van de functie in dienst van de ambassade, zodat, nu de vreemdeling sub 1 vanaf 1994 tot op heden werkzaam is op de Iraanse ambassade, hij en zijn van zijn verblijfsstatus afhankelijke gezinsleden, ten tijde van de onderscheiden besluiten van 14 september 2006 en de onderscheiden besluiten van 23 november 2006 wel reeds gedurende een ononderbroken periode van 10 jaar in Nederland verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status.

2.1.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het verdrag geniet een ieder die recht heeft op voorrechten en immuniteiten deze vanaf het ogenblik waarop hij het grondgebied van de ontvangende staat betreedt om zijn functie te aanvaarden, of, indien hij zich reeds op het grondgebied van die staat bevindt, vanaf het ogenblik waarop kennisgeving van zijn aanstelling wordt gedaan aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: het ministerie) of aan een ander overeengekomen ministerie.

Ingevolge het tweede lid houden deze voorrechten en immuniteiten, wanneer de taak van een persoon die deze geniet is beëindigd, als regel op te bestaan op het ogenblik waarop hij het land verlaat, of na het verstrijken van een redelijke termijn om het land te verlaten, doch blijven zij tot aan dat tijdstip van kracht, zelfs in geval van een gewapend conflict. Met betrekking tot door zulk een persoon in de uitoefening van zijn functie als lid van de zending verrichte handelingen blijft de immuniteit evenwel van kracht.

2.1.2. Ingevolge artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van die wet afgewezen indien de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, die anders dan door eigen toedoen is verloren. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, wordt die aanvraag niet afgewezen indien die is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, wordt die aanvraag niet afgewezen indien die is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling, bedoeld onder a of b.

2.1.3. Niet-duurzaam verblijvend personeel van ambassades en hun gezinsleden ontlenen hun bijzondere geprivilegieerde status rechtstreeks aan het verdrag en niet aan het bezit van een geprivilegieerdendocument of de registratie in Probas. Immers, in artikel 39 van het verdrag, waarin is geregeld wanneer die status wordt verkregen en verloren, is verkrijging en verlies niet afhankelijk gesteld van het bezit van een geprivilegieerdendocument of de registratie in een daarop betrekking hebbend bestand. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen.

2.1.4. Het vorenstaande kan evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Niet in geschil is dat de tienjarentermijn als bedoeld in artikel 3.93 van het Vb 2000 is aangevangen op 28 december 1994. Blijkens een brief van de Iraanse ambassade aan het ministerie van 25 augustus 2000 zijn de werkzaamheden van de vreemdeling sub 1 als derde secretaris bij die ambassade geëindigd op 28 augustus 2000. Daarin is eveneens vermeld dat, zodra de geprivilegieerdendocumenten van de vreemdelingen door de Iraanse ambassade zijn ontvangen, deze zullen worden geretourneerd aan het ministerie. Voorts blijkt uit brieven van het ministerie aan de Iraanse ambassade van 28 november 2000, 16 augustus 2001 en 18 december 2001 dat de redelijke termijn om het land te verlaten als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van het verdrag uiteindelijk is verlengd tot 1 augustus 2002 en per die datum is geëindigd. Uit een mededeling van de Iraanse ambassade aan het ministerie van 31 juli 2002 blijkt dat de geprivilegieerdendocumenten van de vreemdelingen vervolgens op die datum zijn geretourneerd. De vreemdelingen hebben niet aangetoond dat zij desondanks vanaf die datum nog langer de bijzondere geprivilegieerde status bezaten. Gelet hierop heeft de minister, afgaande op de van de minister van Buitenlandse Zaken verkregen informatie, ervan mogen uitgaan dat de vreemdeling sub 1 ten tijde van het ten aanzien van hem genomen besluit van 14 september 2006 niet tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, waardoor hij niet voldeed aan het gestelde in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het Vb 2000 en de vreemdelingen sub 2, sub 3 en sub 4 ten tijde van de ten aanzien van hen genomen besluiten op bezwaar niet voldeden aan het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c, van dat artikel.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, heeft overwogen dat de vreemdelingen niet voldeden aan het bepaalde in artikel 3.93 van het Vb 2000, zodat de minister terecht heeft geoordeeld dat de vreemdelingen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De grief faalt.

2.2. Hetgeen in de tweede en de derde grief is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008

91-534.

Verzonden: 27 maart 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak