Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200801054/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Definitierichtlijn / samenwerkingsplicht / gelegenheid voor contra-expertise

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 12 juli 2007 in zaak nr. 200703043/1, (LJN: BB1365), bestaat, voor zover dit artikellid al een direct toepasbare norm zou inhouden, geen grond voor het oordeel dat de hierin opgenomen samenwerkingsplicht verder strekt dan dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en de staatssecretaris, na te hebben bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen, het resultaat van de beoordeling daarvan, voordat een beslissing wordt genomen, mededeelt aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken te herstellen.

Nu voorts uit dit artikellid, evenals uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, volgt dat de verzoeker zijn asielverzoek dient te staven met elementen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, indien, zoals in het onderhavige geval, documenten, waarvan de authenticiteit niet is aangetoond, ter onderbouwing van een herhaalde aanvraag zijn overgelegd, de staatssecretaris gehouden zou zijn de vreemdeling tegemoet te komen door hem, alvorens een besluit te nemen, in de gelegenheid te stellen die authenticiteit door middel van een contra-expertise aan te tonen. Er is derhalve geen sprake van een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht. De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/195
AB 2009, 2

Uitspraak

200801054/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/1705 en 08/1703 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 31 januari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 januari 2008, verzonden op 1 februari 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 februari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat, nu de door hem aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegde documenten niet authentiek zijn bevonden, de staatssecretaris op grond van de samenwerkingsplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn), anders dan de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) vereist, gehouden was hem in de gelegenheid te stellen, alvorens een besluit te nemen, een contra-expertise te laten verrichten.

2.2. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (recent in de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1; JV 2007/263) moet, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

2.3. Artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn luidt als volgt: "De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen".

2.4. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 12 juli 2007 in zaak nr. 200703043/1, www.raadvanstate.nl, bestaat, voor zover dit artikellid al een direct toepasbare norm zou inhouden, geen grond voor het oordeel dat de hierin opgenomen samenwerkingsplicht verder strekt dan dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en de staatssecretaris, na te hebben bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen, het resultaat van de beoordeling daarvan, voordat een beslissing wordt genomen, mededeelt aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken te herstellen.

Nu voorts uit dit artikellid, evenals uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, volgt dat de verzoeker zijn asielverzoek dient te staven met elementen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, indien, zoals in het onderhavige geval, documenten, waarvan de authenticiteit niet is aangetoond, ter onderbouwing van een herhaalde aanvraag zijn overgelegd, de staatssecretaris gehouden zou zijn de vreemdeling tegemoet te komen door hem, alvorens een besluit te nemen, in de gelegenheid te stellen die authenticiteit door middel van een contra-expertise aan te tonen. Er is derhalve geen sprake van een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht. De grief faalt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.J.E. Horstink von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Scheerhout

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008

318.

Verzonden: 25 maart 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak