Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8564

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200707409/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning regulier / gevaar voor de openbare orde / afname vingerafdrukken in het kader van aanvraag / geen sprake van strafrechtelijk onderzoek

Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat het de minister niet vrij stond om zelf een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren, wordt overwogen dat de afname van de vingerafdrukken van de vreemdeling heeft plaatsgevonden in het kader van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de door hem ingediende aanvraag en dat van een strafrechtelijk onderzoek, daargelaten de bevoegdheid van de minister daartoe, geen sprake is geweest. Gesteld noch gebleken is dat er aanwijzingen zijn om aan de juistheid van de uitslag van het dactyloscopisch onderzoek te twijfelen. Nu uit dit onderzoek is gebleken dat de vingerafdrukken van de vreemdeling overeenkomen met die, opgenomen in het bestand van de DNRI onder de naam [naam], bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister er vanuit heeft mogen gaan dat de vreemdeling de persoon is die, onder een andere naam, strafrechtelijk is veroordeeld. Dit geldt temeer nu de vreemdeling ten overstaan van de vreemdelingenpolitie ook zelf verklaard heeft eerder in verband met een vrijheidsstraf te hebben vastgezeten onder de naam [naam]. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bevoegd was om de vreemdeling op grond van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 de gevraagde verblijfsvergunning te onthouden. De grieven falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200707409/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/4711 en 07/01366 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 26 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2004 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 december 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 september 2007, verzonden op 28 september 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de wet worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als hiervoor bedoeld, op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot, voor zover thans van belang, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

2.2. De vreemdeling klaagt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hij ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dat de minister derhalve bevoegd was om hem op grond van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 de gevraagde verblijfsvergunning te onthouden. Hij voert hiertoe aan dat de desbetreffende strafrechtelijke veroordeling niet op zijn naam is gesteld, maar op die van een andere persoon genaamd [naam], en dat het de minister niet vrij stond om zelf een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren en daaraan de conclusie te verbinden dat hij en [naam] dezelfde persoon zijn.

2.2.1. In het kader van de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling gevorderd te verschijnen bij de Dienst Vreemdelingenpolitie Amsterdam Amstelland (hierna: de vreemdelingenpolitie). Blijkens een op 6 oktober 2003 door de vreemdelingenpolitie opgemaakt rapport heeft de vreemdeling bij die gelegenheid onder meer verklaard dat hij eerder in Nederland in verband met een vrijheidsstraf heeft vastgezeten onder de naam Arnold Welch.

Bij schrijven van 23 september 2005 is de vreemdeling verzocht om opnieuw bij de vreemdelingenpolitie te verschijnen. Bij die gelegenheid zijn van hem vingerafdrukken afgenomen, welke zijn vergeleken met die, opgenomen in het bestand van de Dienst Nationale Recherche Informatie (hierna: DNRI). Volgens een door de vreemdelingenpolitie opgemaakt rapport is uit deze vergelijking gebleken dat de vingerafdrukken van de vreemdeling in het bestand van de DNRI zijn geregistreerd onder biometrienummer 310000889111 en de naam [naam].

Uit een op 2 januari 2006 gedateerd Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat een persoon onder de naam Arnold Louis Welch is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens een op 11 december 2000 gepleegd misdrijf.

2.2.2. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat het de minister niet vrij stond om zelf een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren, wordt overwogen dat de afname van de vingerafdrukken van de vreemdeling heeft plaatsgevonden in het kader van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de door hem ingediende aanvraag en dat van een strafrechtelijk onderzoek, daargelaten de bevoegdheid van de minister daartoe, geen sprake is geweest. Gesteld noch gebleken is dat er aanwijzingen zijn om aan de juistheid van de uitslag van het dactyloscopisch onderzoek te twijfelen. Nu uit dit onderzoek is gebleken dat de vingerafdrukken van de vreemdeling overeenkomen met die, opgenomen in het bestand van de DNRI onder de naam [naam], bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister er vanuit heeft mogen gaan dat de vreemdeling de persoon is die, onder een andere naam, strafrechtelijk is veroordeeld. Dit geldt temeer nu de vreemdeling ten overstaan van de vreemdelingenpolitie ook zelf verklaard heeft eerder in verband met een vrijheidsstraf te hebben vastgezeten onder de naam [naam].

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bevoegd was om de vreemdeling op grond van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 de gevraagde verblijfsvergunning te onthouden. De grieven falen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Vreken

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008

434-553.

Verzonden: 25 maart 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak