Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200707450/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2006 heeft de burgemeester van de gemeente Zoetermeer (hierna: de burgemeester) geweigerd een verklaring van [appellant]) waarin hij verklaart de Nederlandse nationaliteit te willen verkrijgen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) te bevestigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200707450/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/7687 van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 september 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

de burgemeester van de gemeente Zoetermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2006 heeft de burgemeester van de gemeente Zoetermeer (hierna: de burgemeester) geweigerd een verklaring van [appellant]) waarin hij verklaart de Nederlandse nationaliteit te willen verkrijgen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) te bevestigen.

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft de burgemeester het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 september 2007, verzonden op 2 oktober 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2007.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.R. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin de burgemeester aanleiding had moeten zien af te wijken van het beleid. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij zijn leven heeft verbeterd en dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen die hij in het dagelijks leven ondervindt als gevolg van zijn buitenlandse nationaliteit, zoals het niet krijgen van een vaste aanstelling bij zijn werkgever en het niet kunnen aangaan van een lening bij de bank.

2.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN verkrijgt de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder d, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het tweede lid het Nederlanderschap.

Ingevolge het tweede lid beoordeelt de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust en bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap, indien aan de voorwaarden is voldaan.

Ingevolge het derde lid weigert voormelde autoriteit de bevestiging indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, wordt, voor zover thans van belang, een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) is de in artikel 6, derde lid, van de RWN opgenomen weigeringsgrond imperatief en volgt uit de wet dat de burgemeester geen beleidsvrijheid heeft. De richtlijnen om vast te stellen of er op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid zijn dezelfde als die zijn vastgesteld voor toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN bij naturalisatie, aldus de Handleiding.

Volgens de Handleiding wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd dan wel tegen de verzoeker nog een strafzaak wegens misdrijf openstaat. Daarbij geldt dat iedere taakstraf (werk- of leerstraf), ongeacht de duur daarvan en ongeacht of die straf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een andere straf dan wel in het kader van een transactievoorstel, tot afwijzing van het verzoek leidt.

In een concreet geval kunnen zich evenwel zeer bijzondere feiten of omstandigheden voordoen die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van het beleid af te wijken, aldus de Handleiding. Volgens de Handleiding kan uit de jurisprudentie van de Afdeling worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is - aldus de Handleiding - onder meer de omstandigheid dat de verzoeker inmiddels is gehuwd, een kind heeft gekregen en stelt zijn leven aanzienlijk te hebben verbeterd, dat hij lering heeft getrokken uit het gebeurde en dat hij als enige binnen het gezin geen Nederlander is.

2.3. Vast staat dat [appellant] bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 juni 2005, onherroepelijk geworden op 22 juni 2005, wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C, van de Opiumwet is veroordeeld tot 80 uren werkstraf subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts staat tegen [appellant] nog een strafzaak open ter zake van verdenking van overtreding van artikel 287 gelezen in samenhang met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. De burgemeester heeft derhalve in overeenstemming met de Handleiding het standpunt ingenomen dat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar voor de openbare orde vormt.

2.3.1. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de door [appellant] aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat de burgemeester - met voorbijgaan aan de door hem gehanteerde richtlijnen - tot de conclusie had moeten komen dat hier geen sprake was van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN bedoelde situatie.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. De Vink

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

154-510.