Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200705396/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het recreatiewoonverblijf aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) als hoofdverblijf te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/159

Uitspraak

200705396/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/883 van de rechtbank Zutphen van 19 juni 2007 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van het recreatiewoonverblijf aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) als hoofdverblijf te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 28 april 2006 heeft het college, met overneming van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 april 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007.

[wederpartij] heeft een reactie ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Oosterveer en E. Lichtenberg, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" rust op het perceel de bestemming "verblijfsrecreatie".

Ingevolge artikel 29 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als verblijfsrecreatieterrein aangewezen gronden bestemd voor recreatiebedrijven waar personen die hun vaste verblijfplaats elders hebben, voor hun recreatie verblijf kunnen houden in recreatiewoonverblijven.

Ingevolge artikel 1, onder ab, sub 1, wordt, voor zover hier van belang, onder recreatiewoonverblijf verstaan: een vakantiehuisje, zijnde een gebouw, bestemd om uitsluitend te worden bewoond door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

Ingevolge artikel 39 is het verboden de in het plan begrepen gronden en opstallen te gebruiken, te doen of te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden en opstallen gegeven bestemming.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [wederpartij] zijn hoofdverblijf in het recreatiewoonverblijf had.

2.2.1. Het ligt op de weg van het college om de voor het vermoeden dat sprake is van een overtreding van de planvoorschriften, vereiste feiten vast te stellen. Het was vervolgens aan [wederpartij] om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestond, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel uit te gaan van de juistheid van de feiten zoals het college die heeft vastgesteld.

Ten tijde van het besluit op bezwaar stond [wederpartij] ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [locatie 2] te [plaats]. Het recreatiewoonverblijf behoort in eigendom toe aan [wederpartij]. De waarnemingen van het college ten aanzien van het recreatiewoonverblijf hebben betrekking op een periode van veertien maanden. De waarnemingen vermelden de frequente aanwezigheid van auto's van [wederpartij] (die regelmatig bleken te zijn verplaatst), van huisvuil, van afwisselend geopende en gesloten gordijnen, van afwisselend ontstoken en gedoofde lampen, van een huisdier, van een werkende pomp in de vijver en van diverse goederen. Tevens staat in de waarnemingen vermeld dat het woonrecreatieverblijf een bewoonde indruk maakte.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze omstandigheden op zich zelf, noch in onderlinge samenhang bezien, voldoende grond vormen voor het oordeel dat hiermee aannemelijk is gemaakt dat [wederpartij] het recreatiewoonverblijf als hoofdverblijf gebruikte. De rechtbank heeft hierbij terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het college zonder nader onderzoek of onderbouwing heeft aangenomen dat [wederpartij] op de [locatie 2] niet beschikte over zelfstandige woonruimte, terwijl [wederpartij] dat gemotiveerd heeft weersproken. Voorts is van belang dat [wederpartij] in de periode van waarneming van veertien maanden slechts eenmaal bij de recreatiewoning is aangetroffen en dat daarnaast in die periode slechts twee andere personen zijn aangetroffen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [wederpartij] in bezwaar heeft gesteld dat ook familie en vrienden van het recreatiewoonverblijf gebruik maken, zijn vader regelmatig in de tuin werkt en hij zijn twee oldtimers bij het recreatiewoonverblijf stalt. De omstandigheid dat [wederpartij] bij de Belastingdienst het recreatiewoonverblijf in aanmerking heeft gebracht voor hypotheekrenteaftrek op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001, voor zover het college dat heeft kunnen bewijzen, maakt in het licht van de omstandigheden dat hij slechts eenmaal ter plaatse is aangetroffen en hij in de gemeentelijke basisadministratie op een ander adres staat ingeschreven, evenmin dat voldoende grond bestaat voor het oordeel dat hiermee aannemelijk is gemaakt dat [wederpartij] de planvoorschriften heeft overtreden.

Anders dan het college betoogt, is de uitspraak van 19 oktober 2005 in zaak nr. 200500395/1, hier niet relevant, nu in die zaak vaststond dat de aangeschrevenen niet beschikten over zelfstandige woonruimte en veelvuldig mensen in de recreatiewoning waren aangetroffen.

2.2.2. De Afdeling ziet in de na de aangevallen uitspraak door het college overgelegde nadere stukken ter onderbouwing van zijn vermoeden dat sprake is van een overtreding, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 april 2006 in stand te laten. Deze stukken, een verklaring van [beheerder] van het verblijfsrecreatieterrein, van 6 december 2007, een foto van [wederpartij] met een hond en de bouwtekening van de woning aan de [locatie 2] te [plaats], zijn pas bij brief van 30 januari 2008 in de procedure gebracht. Voor [wederpartij] bestond te weinig tijd om deze gegevens vóór de behandeling van de zaak op de zitting bij de Afdeling gemotiveerd te ontkrachten. Voor zover [wederpartij] als reactie heeft gesteld dat hij in een uitbouw van de woning van de [locatie 2] zijn hoofdverblijf had, vergt deze stelling bovendien nader onderzoek van het college, hetgeen in het kader van het nieuw te nemen besluit op bezwaar kan geschieden.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.4. Het college dient in de proceskosten van [wederpartij] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Ermelo aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. bepaalt dat van de gemeente Ermelo een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. R.R. Winter, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

414.