Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200705556/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN Mobile The Netherlands B.V. (hierna: KPN) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een basisstation met een vakwerkmast op het perceel Parallelweg ongenummerd te Oosterbeek, kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nr. 5726 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705556/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V., gevestigd te Den Haag, als rechtsopvolgster van KPN Mobile The Netherlands B.V.,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4753 van de rechtbank Arnhem van 26 juni 2007 in het geding tussen:

KPN Mobile The Netherlands B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Renkum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN Mobile The Netherlands B.V. (hierna: KPN) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een basisstation met een vakwerkmast op het perceel Parallelweg ongenummerd te Oosterbeek, kadastraal bekend gemeente Oosterbeek, sectie C, nr. 5726 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft het college het daartegen door KPN gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door KPN (thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V.) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft KPN bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

KPN heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2008, waar KPN, vertegenwoordigd door mr. L.P.W. Mensink en mr. M.L. Vroom, beiden advocaat te Amsterdam en het college, vertegenwoordigd door

mr. P.H.M. Claessens, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan behelst het plaatsen van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie.

2.2. Op het perceel rust op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oosterbeek-Noord" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Groenvoorzieningen". Niet in geschil is dat de oprichting van de antenne-installatie in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft geweigerd daarvoor vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang bezien met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985).

2.3. KPN betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming is met het door het college toegepaste antennebeleid dat op 12 oktober 2005 in werking is getreden en de vrijstellingsbevoegdheid van het college voor antenne-installaties als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro 1985 invult. Het bouwplan is volgens KPN gelegen op een raakvlak van twee deelgebieden, zodat volgens het antennebeleid dient te worden uitgegaan van de feitelijke situatie, die niet te kenmerken valt als woongebied, doch het meest aansluit bij het deelgebied infrastructuren. Volgens KPN heeft het college dan ook ten onrechte op grond van dit beleid geweigerd vrijstelling te verlenen voor het bouwplan.

2.3.1. Dit betoog faalt. Uit de bij het antennebeleid behorende indeling in deelgebieden en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan geheel is gesitueerd in het als woongebied aangeduide deelgebied. Voor de stelling van KPN dat de locatie is gelegen op een raakvlak tussen het woongebied en het deelgebied infrastructuren bestaat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen grond. Als raakvlak kan, zoals het college terecht stelt, slechts worden aangemerkt een grens tussen twee deelgebieden. Het bouwplan is evident niet op zo'n grens gesitueerd. Evenmin kan KPN worden gevolgd in haar betoog dat het college het perceel waarop het bouwplan is gelegen niet als woongebied heeft kunnen aanmerken. Het perceel ligt nabij woonbebouwing in een groenzone met daarin een speel- en voetbalveldje en enkele bomen en struiken. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het niet onredelijk is dat dit gedeelte van het deelgebied als woongebied is aangeduid.

Nu geconcludeerd moet worden dat het bouwplan is gelegen in het woongebied en daarvoor als uitgangspunt geldt dat geen antenne-installaties worden geplaatst is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college de vrijstelling heeft mogen weigeren op grond van het door hem gehanteerde antennebeleid.

2.4. Voorts betoogt KPN dat de rechtbank heeft miskend dat, mocht de beoogde locatie voor de antenne-installatie niet passen binnen het antennebeleid, het college dit beleid vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval buiten toepassing had moeten laten met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.4.1. Dit betoog slaagt evenmin. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen belangen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in de door KPN genoemde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven te zien voor het oordeel dat het toepassen van het antennebeleid voor KPN onevenredige gevolgen zou hebben in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat KPN ter zitting, in afwijking van het in het hoger beroepschrift gestelde, desgevraagd heeft verklaard dat slechts over een afstand van 500 meter sprake is van een - door KPN ongewenste - slechte dekking. Nu dekking niet ontbreekt, maar het gaat om een door KPN in kwalitatief opzicht niet voldoende geachte dekking die zich over een relatief korte afstand van het verdiept gelegen treintraject voordoet, valt niet in te zien dat deze omstandigheid voor het college in redelijkheid aanleiding had moeten zijn om van zijn recent vastgestelde beleid af te wijken. Dat KPN door de weigering vrijstelling te verlenen, naar eigen zeggen, niet kan voldoen aan de aan haar op grond van de Telecommunicatiewet opgelegde verplichting een landelijk dekkend UMTS netwerk te realiseren, wat hiervan gelet op het vorenstaande ook zij, betekent voorts niet dat het college gehouden zou zijn de vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. Evenmin kan de omstandigheid gewicht in de schaal leggen dat eigenaren van andere percelen die geschikt zijn voor plaatsing van de antennemast geen toestemming daarvoor geven. Het ontbreken van privaatrechtelijke overeenstemming betekent nog niet dat technische alternatieven ontbreken. Tot slot verplicht de omstandigheid dat KPN, naar zij stelt, geen andere alternatieven heeft om een goed landelijk dekkend netwerk voor haar afnemers te realiseren niet tot verlening van de vrijstelling en bouwvergunning.

2.5. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college in bezwaar in redelijkheid de weigering tot verlening van vrijstelling heeft kunnen handhaven en de bouwvergunning terecht heeft kunnen weigeren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

328-552.