Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200704939/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2003 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van [appellante] om vergoeding van door een besluit van 3 april 2000 beweerdelijk veroorzaakte schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200704939/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 04/5284 van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2003 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van [appellante] om vergoeding van door een besluit van 3 april 2000 beweerdelijk veroorzaakte schade afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2007, verzonden op 7 juni 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 februari 2008, waar [appellante], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] heeft op 10 juni 1996 via woningbouwvereniging ACOB (hierna: de woningbouwvereniging) een aanvraag om verlening van huursubsidie voor het tijdvak 1996-1997 ingediend. Hoewel [appellante] op 17 juni 1996 aan de woningbouwvereniging heeft laten weten dat zij de aanvraag wil intrekken omdat zij niet aan de voorwaarden voor huursubsidie voldoet, heeft de woningbouwvereniging de aanvraag abusievelijk naar de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) doorgezonden. Bij besluit van 24 januari 1997 heeft de staatssecretaris aan [appellante] huursubsidie ten bedrage van € 1.260,00 voor het tijdvak 1996-1997 toegekend. Bij besluit van 14 mei 1997 heeft de staatssecretaris de huursubsidie voor het tijdvak 1996-1997 vastgesteld op een bedrag van € 960,00. [appellante] stelt tegen deze besluiten geen bezwaar te hebben gemaakt omdat zij feitelijk geen huursubsidie ontving en omdat zij meende reeds voldoende duidelijk te hebben gemaakt dat zij geen aanvraag om huursubsidie heeft willen indienen.

2.2. Het geschil betreft enkel de beweerdelijk geleden materiële en immateriële schade die het gevolg is van het besluit van de minister van 3 april 2000, waarbij de huursubsidie voor het tijdvak 1996-1997 gewijzigd is vastgesteld op nihil en een bedrag van € 960,- van [appellante] is teruggevorderd. Dit betekent dat de door [appellante] gestelde materiële schade en immateriële schade die voor 3 april 2000 is ontstaan geen rol kan spelen.

2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister bij besluit van 19 oktober 2004 terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat het verzoek wordt afgewezen. Aangezien het primaire terugvorderingbesluit dateert van vóór 12 maart 2002, is met betrekking tot de in de bezwaarfase gemaakte kosten het regime voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure (Stb. 2002, 55) van toepassing. Dit betekent dat dergelijke kosten slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Het primaire besluit van 3 april 2000 was echter niet dermate gebrekkig, dat gezegd moet worden dat de minister tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen, en dat derhalve sprake is van een bijzonder geval. Hierbij is van belang dat

[appellante] tegen het besluit van 24 januari 1997, waarbij aan haar huursubsidie ten bedrage van € 1.260,00 voor het tijdvak 1996-1997 is toegekend, noch tegen het besluit van 14 mei 1997, waarbij de huursubsidie voor het tijdvak 1996-1997 is vastgesteld op een bedrag van € 960,00, bezwaar heeft gemaakt.

2.3.1. De door [appellante] gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar waarbij de terugvordering is gehandhaafd, heeft de minister terecht niet in aanmerking genomen, omdat deze kosten slechts op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Uit de plaats en strekking van dit artikel moet worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten via de weg van een verzoek om een zuiver schadebesluit is dan ook geen plaats.

2.3.2. Ten aanzien van de gestelde immateriële schade heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel waaraan zij vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Daarvoor is onvoldoende dat sprake is van groot psychisch onbehagen als gevolg van een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan en van spanningen als gevolg van het in rechte moeten betwisten van dat besluit. In hoger beroep is evenmin aannemelijk geworden dat [appellante] als gevolg van het besluit schade heeft geleden.

2.4. Hetgeen [appellante] nog met betrekking tot de handelwijze van de woningbouwvereniging en het in haar ogen onbehoorlijk optreden van de minister heeft betoogd is niet gericht tegen een onderdeel van de aangevallen uitspraak en kan daarom niet tot een ander oordeel leiden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Larsson-van Reijsen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

344.