Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC8497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
200704321/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [appellante] een boete van € 16.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 18a
Wet arbeid vreemdelingen 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/203
AB 2009, 110

Uitspraak

200704321/1.

Datum uitspraak: 2 april 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de maten zijn [maat 1] en

[maat 2], beiden wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2177 van de rechtbank

Maastricht van 14 mei 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [appellante] een boete van € 16.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 6 september 2006 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Coch, advocaat te Maastricht, en vergezeld door haar maten [maat 1] en [maat 2], en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Eekhout, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Blijkens het op ambtseed, onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 22 september 2005 (hierna: het boeterapport) hebben een vreemdeling van Poolse nationaliteit genaamd [vreemdeling 1] (hierna: [vreemdeling 1]) en een vreemdeling van Poolse nationaliteit genaamd [vreemdeling 2] (hierna tezamen: de vreemdelingen) op 21 juni 2005 arbeid verricht voor [appellante], zonder dat [appellante] beschikte over tewerkstellingsvergunningen voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden. Voorts kon blijkens het boeterapport van de andere 14 van de 16 aangetroffen personen direct ter plaatse worden vastgesteld dat deze legaal waren tewerkgesteld.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge het derde lid, onder 2˚, wordt voor de toepassing van het eerste lid [appellante] met een rechtspersoon gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens beleidsregel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 per persoon, per beboetbaar feit gesteld.

2.3. Het betoog van [appellante] dat, gelet op de sinds 1 mei 2007 gewijzigde positie van Polen, artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht er aan in de weg staan dat de boete onverkort wordt gehandhaafd, leidt niet tot het ermee beoogde doel. Op 21 juni 2005, de datum waarop de overtredingen zijn geconstateerd, was voor het laten verrichten van arbeid in Nederland door personen van Poolse nationaliteit een tewerkstellingsvergunning vereist. Dat zulks thans niet meer het geval is, is gelegen in de omstandigheid dat het vereiste uit hoofde van het overgangsregime dat is neergelegd in Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen, slechts een tijdelijk karakter had, niet omdat het inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding is gewijzigd. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de boete in strijd met voormelde bepalingen is opgelegd.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat zij geen rechtspersoon maar een personenvennootschap is, waarvoor het boetetarief voor natuurlijke personen geldt. Voorts acht zij het gelijkheidsbeginsel geschonden, nu in artikel 2 van de beleidsregels een onderscheid wordt gemaakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen, zonder dat daarvoor objectieve gronden bestaan. Volgens [appellante] is het beleid, meer speciaal beleidsregel 2, derhalve onverbindend.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200606955/1), is voor de hoogte van de op te leggen boete de gekozen rechtsvorm van de onderneming bepalend. Een maatschap wordt ingevolge artikel 18a, derde lid, onder 2˚, gelezen in samenhang met artikel 19d, eerste lid, van de Wav, wat de hoogte van een op te leggen boete betreft met een rechtspersoon gelijkgesteld. Nu de hoogte van de boete, voor zover verband houdend met de door de maten zelf gekozen rechtsvorm, haar grond vindt in de gelijkstelling in de Wav van [appellante] met een rechtspersoon en de staatssecretaris in zoverre geen beslissingsruimte heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte en in strijd met het gelijkheidsbeginsel tot onverkorte oplegging van het voor rechtspersonen geldende boetenormbedrag is overgegaan.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor [vreemdeling 2] een tewerkstellingsvergunning was vereist. [appellante] voert hiertoe aan dat [vreemdeling 2] als zelfstandige zonder personeel (hierna: zzp-er) is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, zelf haar uren bepaalde en zelfstandig heeft gewerkt. Er heeft geen gezagsverhouding bestaan tussen haar en [vreemdeling 2], aldus [appellante]. Voorts is door de rechtbank niet onderkend dat de door [vreemdeling 2] afgelegde verklaring ten onrechte bij de besluitvorming is betrokken, nu deze verklaring onder druk is afgenomen en daarom geen waarheidsgetrouw beeld geeft. Bovendien is de verklaring volgens [appellante] niet ondertekend door [vreemdeling 2] zelf.

2.5.1. Blijkens de waarneming van de onderscheiden inspecteurs van de Arbeidsinspectie, zoals gerelateerd in het boeterapport, verschilden de omstandigheden waaronder [vreemdeling 2] op 21 juni 2005 de werkzaamheden heeft verricht, niet van de omstandigheden waaronder de overige 15 aangetroffen werknemers in dienst van [appellante] hun werkzaamheden hebben verricht. Voorts is met stukken noch anderszins en evenmin desgevraagd ter zitting door [appellante] aannemelijk gemaakt dat de arbeidspositie van [vreemdeling 2] een andere was dan die waarin de overige 15 werknemers zich bevonden. Onder deze omstandigheden biedt de stelling van [appellante] dat op 21 juni 2005 geen gezagsverhouding bestond tussen haar en [vreemdeling 2], laatstgenoemde haar werktijden zelf mocht bepalen en [vreemdeling 2] als zzp-er stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, geen grond voor het oordeel dat [appellante] met betrekking tot [vreemdeling 2] niet als vergunningplichtig werkgever in de zin van de Wav is aan te merken. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte bij besluit van 6 september 2006 het standpunt heeft gehandhaafd dat [appellante], door [vreemdeling 2] op 21 juni 2005 arbeid te laten verrichten, artikel 2, eerste lid, van de Wav, heeft overtreden. De verklaring van [vreemdeling 2] is niet dragend voor dat standpunt, zodat de stelling van [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verklaring van [vreemdeling 2] onder druk is afgenomen en niet door haarzelf is ondertekend, geen bespreking behoeft.

Het betoog faalt.

2.6. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zij al het mogelijke heeft gedaan om de vreemdelingen rechtmatig te werk te stellen en ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] niet mocht vertrouwen op de mededelingen van de Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: de LTO) en de Belastingdienst dat tewerkstellingsvergunningen niet waren vereist, aangezien de LTO noch de Belastingdienst tewerkstellingsvergunningen verlenen. Volgens [appellante] werkt de LTO in het kader van het zogenoemde Project Seizoensarbeid 2005 nauw samen met de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) om de problemen van personeelstekort en illegale tewerkstelling in de tuinbouwsector op te lossen. [appellante] betoogt dat zij onder deze omstandigheden gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de juistheid van de door een medewerker van de LTO verstrekte informatie. [appellante] stelt voorts dat de zwager van [vreemdeling 2] zich met betrekking tot de tewerkstelling van [vreemdeling 2] als zzp-er heeft gewend tot de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), de CWI, de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst en zij ook op de van deze instanties verkregen informatie mocht vertrouwen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

2.6.2. Blijkens de bij het boeterapport gevoegde verklaring van [maat 1] van 8 juli 2005 is voor vijf vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning afgegeven voor de periode 25 mei 2005 tot 3 september 2005, maar zijn twee vreemdelingen niet komen werken. Een medewerker van de LTO heeft desgevraagd telefonisch meegedeeld dat vanwege het ontstane tekort aan arbeidskrachten een beroep kon worden gedaan op de zogenoemde calamiteitenregeling LTO en dat [vreemdeling 1] in de plaats kon komen werken van een persoon voor wie een tewerkstellingsvergunning was afgegeven. [maat 1] heeft uit deze mededeling begrepen dat [vreemdeling 1] met onmiddellijke ingang mocht werken, maar dat nog wel een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning in het kader van de calamiteitenregeling moest worden ingediend. Deze aanvraag is alsnog op 21 juni 2005 ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is op 28 juni 2005 door de CWI een tewerkstellingsvergunning afgegeven voor door [vreemdeling 1] te verrichten werkzaamheden in de periode 29 juni 2005 tot 3 september 2005, aldus de verklaring van [maat 1].

Voorts heeft [maat 1], voor zover thans van belang, verklaard dat hij van de zwager van [vreemdeling 2], die informatie heeft ingewonnen bij de Belastingdienst en de CWI, heeft begrepen dat zij als zzp-er werkzaamheden mocht verrichten en de zwager hem een inschrijfbewijs van de Kamer van Koophandel en een aanvraagformulier voor een zogenoemde VAR-verklaring bij de Belastingdienst heeft getoond. Op 5 juli 2005 is voor [vreemdeling 2] in het kader van voormelde calamiteitenregeling LTO alsnog een tewerkstellingsvergunning aangevraagd, zo heeft [maat 1] verklaard.

2.6.3. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat [appellante] geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de door een medewerker van de LTO verstrekte informatie dat [vreemdeling 1] met onmiddellijke ingang mocht gaan werken. In dit verband is van belang dat uitsluitend de CWI bevoegd is om een tewerkstellingsvergunning te verlenen en [appellante] hiervan op de hoogte kon zijn, nu ook uit eerder aan [appellante] verleende tewerkstellingsvergunningen blijkt dat de tewerkstellingsvergunningen door de CWI worden verleend. Voorts blijkt uit de door [appellante] in beroep overgelegde folder ‘Project Seizoenarbeid 2005’ niet dat de CWI de bevoegdheid tot het verlenen van tewerkstellingsvergunningen heeft overgedragen aan de LTO. Derhalve heeft de desbetreffende medewerker van de LTO, welke private organisatie niet is belast met het verlenen van tewerkstellingsvergunningen dan wel met het toezicht op de naleving van de Wav, niet de rechtens te honoreren verwachting kunnen wekken dat het verrichten van arbeid door [vreemdeling 1] op 21 juni 2005, vóórdat daarvoor op de voet van voornoemde calamiteitenregeling LTO een op haar naam gestelde tewerkstellingsvergunning was afgegeven, geen overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, met zich zou brengen.

Evenmin kon [appellante] aan de door de IND, de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst verstrekte informatie aan de zwager van [vreemdeling 2] met betrekking tot de tewerkstelling van [vreemdeling 2] als zzp-er het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat haar tewerkstelling op 21 juni 2005 niet in strijd was met voormeld artikel 2, eerste lid, nu de IND, de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst niet bevoegd zijn tot het verlenen van tewerkstellingsvergunningen. Wat de bij de CWI ingewonnen informatie betreft, is, naar door [appellante] ter zitting naar voren is gebracht, slechts informatie van algemene aard verstrekt. Bovendien is de verstrekte informatie niet vastgelegd.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat ook overigens geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid zijdens [appellante], nu zij zich niet rechtstreeks heeft gewend tot de CWI, het tot afgifte van de tewerkstellingsvergunningen ten behoeve van de door de vreemdelingen te verrichten werkzaamheden bevoegde bestuursorgaan.

Het betoog faalt.

2.7. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat gezien de omstandigheden van dit geval de staatsecretaris op de voet van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de beleidsregels had dienen af te wijken door de boete te matigen. [appellante] voert hiertoe aan dat de overtredingen haar niet kunnen worden verweten en de boete in dit geval apert onredelijk en niet evenredig is.

2.7.1. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.

2.7.2. In hetgeen [appellante] over haar financiële positie heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor matiging, reeds omdat de gestelde slechte financiële situatie van [appellante] met de door haar overgelegde stukken onvoldoende is gestaafd.

2.7.3. Met betrekking tot [vreemdeling 2] heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704914/1) vormt de omstandigheid dat bij diverse betrokken instanties is geïnformeerd of de desbetreffende vreemdeling werkzaamheden mocht verrichten als zzp-er, geen bijzondere omstandigheid als hier bedoeld, indien de vraag algemeen is geformuleerd. Niet gesteld is dat [maat 1] of de zwager van [vreemdeling 2] in het contact met de vermelde instanties nadere informatie heeft verstrekt over de te verrichten werkzaamheden en de feitelijke omstandigheden waaronder deze zouden worden verricht. [appellante] heeft dan ook niet zonder meer kunnen aannemen dat de verstrekte informatie in dit geval van toepassing was. Nu uit de omstandigheden waaronder [vreemdeling 2] heeft gewerkt, welke omstandigheden niet verschilden van die waaronder de werknemers van [appellante] werkten, naar voren komt dat [vreemdeling 2] feitelijk arbeid verrichtte als werknemer, had het [appellante] duidelijk moeten zijn dat [vreemdeling 2] niet als zzp-er heeft gewerkt en zij dientengevolge vergunningplichtig was. In zoverre faalt het betoog.

De rechtbank heeft echter niet onderkend dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderzocht of en in hoeverre met betrekking tot [vreemdeling 1] grond bestond voor matiging van de opgelegde boete. In dit verband is van belang dat ten behoeve van [appellante] vijf tewerkstellingsvergunningen waren verleend, twee vreemdelingen ten behoeve van wie een tewerkstellingsvergunning was verleend niet zijn komen opdagen en [appellante] zich er rekenschap van heeft gegeven dat, hoewel zij beschikte over vijf tewerkstellingsvergunningen, [vreemdeling 1] niet zonder meer de plaats kon innemen van de niet verschenen vreemdelingen. Voorts is door [appellante], gezien de calamiteit die zich voordeed, contact opgenomen met de LTO die in het kader van het Project Seizoensarbeid 2005 nauw samenwerkt met de CWI om de problemen van personeelstekort en illegale tewerkstelling in de tuinbouwsector op te lossen en is op 21 juni 2005 door [appellante] een tewerkstellingsvergunning voor [vreemdeling 1] aangevraagd. Door in dit kader slechts de in het besluit van 6 september 2006 vermelde omstandigheden bepalend te achten en geen acht te slaan op de door [appellante] gestelde en door de staatssecretaris niet betwiste relevante feiten en omstandigheden, heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van 6 september 2006 in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

Het betoog slaagt in zoverre.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover hierbij het beroep ongegrond is verklaard voor zover gericht tegen de aan [appellante] voor de tewerkstelling van [vreemdeling 1] bij besluit van 6 september 2006 gehandhaafde boete. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 6 september 2006, voor zover bij dat besluit de aan [appellante] voor de tewerkstelling van [vreemdeling 1] opgelegde boete is gehandhaafd, gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en binnen na te noemen termijn.

2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 mei 2007 in zaak nr. 06/2177 voor zover hierbij het beroep ongegrond is verklaard voor zover gericht tegen de aan [appellante] voor de tewerkstelling van de vreemdeling [vreemdeling 1] opgelegde boete;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 september 2006, kenmerk AI/JZ/2006/74801, voor zover daarbij de aan [appellante] voor de tewerkstelling van de vreemdeling [vreemdeling 1] opgelegde boete is gehandhaafd;

V. draagt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar te nemen;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.331,03 (zegge: dertienhonderdeenendertig euro en drie cent), waarvan een gedeelte groot € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid) aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008

382-532.